knapzak
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een zak waarin men proviand voor een tocht kan bewaren en meenemen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| knapzakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| knapzakjes | verkleinwoord, meervoud |
| knapzakken | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘draagzak met etenswaren’ voor het eerst aangetroffen in 1552
Woordfamilie van knapzak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| knapzakje | verkleinwoord | knapzak |
| knapzakjes | verkleinwoord meervoud | knapzak |
| knapzakken | meervoud | knapzak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knapzak zijn vastgelegd.