knappen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- hoorbaar zijdelings bezwijken
werkwoord
- produceren van een knappend, spetterend geluid door een brandend vuur
Vervoeging van knappen
knappenhele werkwoord — knapteverleden tijd enkelvoud — knaptenverleden tijd meervoud — geknaptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | knap | knapte |
| jij | knapt | knapte |
| hij, zij, het | knapt | knapte |
| wij | knappen | knapten |
| jullie | knappen | knapten |
| zij | knappen | knapten |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben geknapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geknapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| geknapt | verleden tijd, deelwoord |
| geknapt te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geknapt zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is geknapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geknapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| knap | gebiedende wijs |
| knappe | aanvoegende wijs |
| knappend | onvoltooid, deelwoord |
| knapte | verleden tijd |
| te knappen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn geknapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen knappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geknapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geknapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geknapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geknapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geknapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geknapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geknapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal geknapt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geknapt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geknapt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal knappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal knappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal knappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geknapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn geknapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geknapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geknapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geknapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geknapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geknapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geknapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou knappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou knappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou knappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geknapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geknapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geknapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden knappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden knappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden knappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geknapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt knappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geknapt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geknapt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geknapt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen knappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen knappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen knappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen knappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geknapt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult knappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord knap
Herkomst
In de betekenis van ‘een geluid (knap) maken, met een knap breken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573
Woordfamilie van knappen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geknapt | voltooid deelwoord | knappen |
| geknapte | woordvorm | knappen |
| knappend | onvoltooid deelwoord | knappen |
| knappende | woordvorm | knappen |
| knapt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | knappen |
| knapte | verleden tijd | knappen |
| knapten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | knappen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knappen zijn vastgelegd.