gastheer
zelfstandig naamwoord ˈɣɑstherBetekenis
- een man die een gast ontvangt en verzorgt met eten en drinken
- een organisme dat een ander organisme draagt
Hoe spreek je gastheer uit?
/ˈxɑsther/
Gastheer bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| t | tak |
| h | hoed |
| e | veel |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- organisatie die iets organiseert voor meerdere mensen of groepen mensen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gastheertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gastheertjes | verkleinwoord, meervoud |
| gastheren | meervoud |
Herkomst
samenstelling van gast en heer
Woordfamilie van gastheer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gastheertje | verkleinwoord | gastheer |
| gastheertjes | verkleinwoord meervoud | gastheer |
| gastheren | meervoud | gastheer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gastheer zijn vastgelegd.