host
zelfstandig naamwoord, werkwoord hoːstBetekenis
- hostcomputer
- gastheer, gastvrouw of presentator van een evenement
- gastheer, gastvrouw
- heerschaar
- groot aantal van iets
Hoe spreek je host uit?
/host/
Host bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| o | boot |
| s | sok |
| t | tak |
Klinkt hetzelfde als hoost.
zelfstandig naamwoord — masculine
- iemand die als gastheer, gastvrouw of presentator van een evenement optreedt person
- computer met programmatuur die in een netwerk andere computers met diensten en gegevens ondersteunt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hostje | verkleinwoord |
| hostjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| hosts | enkelvoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van hosten
- gebiedende wijs van hosten
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hossen
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hossen
- gebiedende wijs meervoud van hossen
Vervoeging van host
hosthele werkwoord
Alle 2 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] host | canonical |
| [B] host | canonical |
Woordfamilie van host
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hostje | verkleinwoord | host |
| hostjes | verkleinwoord | host |
| hosts | enkelvoud | host |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van host zijn vastgelegd.