gasten
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈɣɑstə(n)Betekenis
- als een van de genodigden deelnemen aan een maaltijd die iemand anders organiseert
- bossen gemaaid graan of ander geoogst gewas gebundeld op de akker zetten om te drogen
Hoe spreek je gasten uit?
/ˈxɑstən/
Gasten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord gast
- meervoud van het zelfstandig naamwoord gaste
Vervoeging van gasten
gastenhele werkwoord
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van gassen
Vervoeging van gasten
gastenhele werkwoord
Herkomst
zn: gast zn of gaste zn met uitgang -en
Woordfamilie van gasten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gastend | woordvorm | gasten |
| gastende | woordvorm | gasten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gasten zijn vastgelegd.