gastarbeider
zelfstandig naamwoord ˈɣɑstɑrbɛidərBetekenis
- iemand die tijdelijk naar een ander land komt om daar arbeid te verrichten
- dwangarbeider, die in arbeidskampen in Nazi-Duitsland tewerk werd gesteld.
Hoe spreek je gastarbeider uit?
/ˈxɑstɑrbɛidər/
Gastarbeider bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| t | tak |
| r | rood |
| b | bak |
| ɛi | trein |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gastarbeiders | meervoud |
| gastarbeidertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gastarbeidertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
leenvertaling van Duits Gastarbeiter, samenstelling van gast zn en arbeider zn **[1] in de betekenis van ‘uit het buitenland aangeworven werknemer’ voor het eerst aangetroffen in 1961 (zie vindplaats hieronder) **[2] eufemisme voor (Nederlandse) dwangarbeider in Nazi-Duitsland, voor het eerst aangetroffen in 1944 (zie vindplaats hieronder)
Woordfamilie van gastarbeider
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gastarbeiders | meervoud | gastarbeider |
| gastarbeidertje | verkleinwoord | gastarbeider |
| gastarbeidertjes | verkleinwoord meervoud | gastarbeider |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gastarbeider zijn vastgelegd.