vergasten
werkwoordBetekenis
- iemand ~ op iemand als gast behandelen met een maaltijd of feestelijkheid
Vervoeging van vergasten
vergastenhele werkwoord — vergastteverleden tijd enkelvoud — vergasttenverleden tijd meervoud — vergastvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vergast | vergastte |
| jij | vergast | vergastte |
| hij, zij, het | vergast | vergastte |
| wij | vergasten | vergastten |
| jullie | vergasten | vergastten |
| zij | vergasten | vergastten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had vergast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vergast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vergast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vergast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vergast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vergast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vergast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vergast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vergast | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vergast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vergast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vergast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vergast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vergast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vergast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vergast | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vergasten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vergasten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vergast | gebiedende wijs |
| vergast | verleden tijd, deelwoord |
| vergast te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vergast zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vergaste | aanvoegende wijs |
| vergastend | onvoltooid, deelwoord |
| vergastte | verleden tijd |
| zal vergast hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vergast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vergast hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou vergast hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vergast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vergast hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden vergast hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vergast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vergast hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt vergast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen vergast hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vergast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vergast hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vergasten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult vergast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van vergassen
Vervoeging van vergasten
vergastenhele werkwoord — vergastteverleden tijd enkelvoud — vergasttenverleden tijd meervoud — vergastvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vergast | vergastte |
| jij | vergast | vergastte |
| hij, zij, het | vergast | vergastte |
| wij | vergasten | vergastten |
| jullie | vergasten | vergastten |
| zij | vergasten | vergastten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had vergast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vergast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vergast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vergast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vergast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vergast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vergast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vergast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vergast | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vergast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vergast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vergast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vergast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vergast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vergast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vergast | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vergasten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vergasten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vergast | gebiedende wijs |
| vergast | verleden tijd, deelwoord |
| vergast te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vergast zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vergaste | aanvoegende wijs |
| vergastend | onvoltooid, deelwoord |
| vergastte | verleden tijd |
| zal vergast hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vergast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vergast hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou vergast hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vergast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vergast hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden vergast hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vergast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vergast hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt vergast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen vergast hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vergast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vergast hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vergasten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult vergast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vergasten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van gast met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van vergasten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vergastend | onvoltooid deelwoord | vergasten |
| vergastende | woordvorm | vergasten |
| vergastte | verleden tijd | vergasten |
| vergastten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vergasten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vergasten zijn vastgelegd.