falen
werkwoord /ˈfaːlən/Betekenis
- het doel dat men zich stellen|gesteld had niet bereiken
Hoe spreek je falen uit?
/ˈfalən/
Falen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| a | maan |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- het doel dat men zich gesteld had niet bereiken unergative
- mislukken, niet slagen impersonal, intransitive
- achterwege blijven, missen [7], ontbreken intransitive
- niet toereikend zijn, tekortschieten intransitive
Vervoeging van falen
falenhele werkwoord — faaldeverleden tijd enkelvoud — faaldenverleden tijd meervoud — gefaaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | faal | faalde |
| jij | faalt | faalde |
| hij, zij, het | faalt | faalde |
| wij | falen | faalden |
| jullie | falen | faalden |
| zij | falen | faalden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| faal | gebiedende wijs |
| faalde | verleden tijd |
| fale | aanvoegende wijs |
| falend | onvoltooid, deelwoord |
| gefaald | verleden tijd, deelwoord |
| gefaald te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefaald zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te falen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen falen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal falen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal falen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal falen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefaald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefaald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou falen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou falen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou falen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden falen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden falen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden falen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt falen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen falen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen falen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen falen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen falen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefaald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefaald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult falen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Van het Franse faillir, verder te herleiden tot Latijn fallere. Verwant met Duits fehlen, Engels fail. Doublet van fout.
Woordfamilie van falen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| faal | gebiedende wijs | falen |
| faalde | verleden tijd | falen |
| faalden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | falen |
| faalt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | falen |
| fale | aanvoegende wijs | falen |
| gefaald | voltooid deelwoord | falen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van falen zijn vastgelegd.