vallen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈvɑlə(n)Betekenis
- vrijelijk onder invloed van de zwaartekracht naar de aarde bewegen
- vrijelijk neerhangen
- ondanks verzet in vijandelijke handen komen
- sterven in de strijd
- ~ te: drukt een mogelijkheid uit
- ~ + meewerkend voorwerp op een bepaalde manier ervaren worden
Hoe spreek je vallen uit?
/ˈvɑlən/
Vallen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɑ | bad |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van vallen
vallenhele werkwoord — vielverleden tijd enkelvoud — vielenverleden tijd meervoud — gevallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | val | viel |
| jij | valt | viel |
| hij, zij, het | valt | viel |
| wij | vallen | vielen |
| jullie | vallen | vielen |
| zij | vallen | vielen |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| gevallen | verleden tijd, deelwoord |
| gevallen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevallen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te vallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| val | gebiedende wijs |
| valle | aanvoegende wijs |
| vallend | onvoltooid, deelwoord |
| viel | verleden tijd |
| waart gevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal gevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord val
Herkomst
In de betekenis van ‘omlaaggaan’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van vallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| valle | aanvoegende wijs | vallen |
| valt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vallen |
| viel | verleden tijd | vallen |
| vielen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vallen |
| vielt | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | vallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vallen zijn vastgelegd.