Naar de inhoud

uitbetalen

geld geven om de kosten te voldoen

uitbetalen

werkwoord ˈœydbəˌtalə(n)

Betekenis

  1. geld geven om de kosten te voldoen

Hoe spreek je uitbetalen uit?

/ˈœydbəˌtalən/

Uitbetalen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœydbəˌtalən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
d dak
b bak
ə de
t tak
a maan
l land
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon

Vervoeging van uitbetalen

uitbetalenhele werkwoord — betaalde uitverleden tijd enkelvoud — betaalden uitverleden tijd meervoud — uitbetaaldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik betaal uit betaalde uit
jij betaalt uit betaalde uit
hij, zij, het betaalt uit betaalde uit
wij betalen uit betaalden uit
jullie betalen uit betaalden uit
zij betalen uit betaalden uit
Alle 95 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
betaal u/je uit, betaalt je uit gebiedende wijs
betaal uit gebiedende wijs
betaalde uit verleden tijd
er is uitbetaald impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitbetaald impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitbetaald impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitbetaald impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitbetaald worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitbetaald zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitbetaald worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitbetaald zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitbetaald voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitbetaald voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitbetaald voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitbetaald voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitbetaald voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitbetaald voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitbetaald voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitbetaald voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitbetaald actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitbetaald voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitbetaald voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitbetaald voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitbetaald voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitbetaald voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitbetaald voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitbetaald actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitbetalen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te betalen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen betalen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal betalen bijzin, toekomende tijd
uit zou betalen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden betalen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt betalen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen betalen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen betalen bijzin, toekomende tijd
uit zult betalen bijzin, toekomende tijd
uitbetaal bijzin, tegenwoordige tijd
uitbetaald verleden tijd, deelwoord
uitbetaald te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitbetaald zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitbetaalde bijzin, verleden tijd
uitbetaalden bijzin, verleden tijd
uitbetaalt bijzin, tegenwoordige tijd
uitbetalend onvoltooid, deelwoord
zal me uitbetalen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal uitbetaald hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitbetaald hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitbetaald hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitbetalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitbetalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitbetalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitbetalen bijzin, toekomende tijd
zal zich uitbetalen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je uitbetalen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich uitbetaald hebben verleden tijd
zich uitbetalend onvoltooid, deelwoord
zou uitbetaald hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitbetaald hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitbetaald hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitbetalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitbetalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitbetalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitbetalen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitbetalen uit zou(dt) betalen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitbetaald hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitbetaald hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitbetaald hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitbetalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitbetalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitbetalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitbetalen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitbetaald hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitbetalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitbetalen bijzin, voorwaardelijk
zullen je uitbetalen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons uitbetalen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen uitbetaald hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitbetaald hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitbetaald hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitbetalen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitbetalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitbetalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitbetalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitbetalen bijzin, toekomende tijd
zullen zich uitbetalen derde persoon, toekomende tijd, meervoud
zult u uitbetalen tweede persoon
zult u uitbetalen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult uitbetaald hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitbetalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitbetalen bijzin, toekomende tijd
zult zich/u uitbetalen tweede persoon
zult zich/u uitbetalen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult/zal uitbetalen uit zult/zal betalen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit bw en betalen ww

Woordfamilie van uitbetalen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
betaal uit gebiedende wijs uitbetalen
betaalde uit verleden tijd uitbetalen
betaalden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitbetalen
betaalt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitbetalen
betale uit woordvorm uitbetalen
betalen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitbetalen
uitbetaal subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitbetalen
uitbetaald voltooid deelwoord uitbetalen
uitbetaalde subordinate-clause, verleden tijd uitbetalen
uitbetaalden subordinate-clause, verleden tijd uitbetalen
uitbetaalt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitbetalen
uitbetale with-subordinate-clause uitbetalen
uitbetalend onvoltooid deelwoord uitbetalen
uitbetalende woordvorm uitbetalen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitbetalen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitbetalen

Hoe spreek je uitbetalen uit?
De uitspraak van uitbetalen is: /ˈœydbəˌtalə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent uitbetalen?
Uitbetalen is een werkwoord. Het woord betekent: geld geven om de kosten te voldoen.
Hoe vervoeg je uitbetalen?
Je vervoegt uitbetalen als volgt: het voltooid deelwoord is uitbetaald. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op uitbetalen?

Uitbetalen rijmt op 66 woorden op -alen; betalen, stralen en herhalen bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op uitbetalen, uitspraak ˈœydbəˌtalən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
betalen 3
stralen 2
herhalen 3
bepalen 3
vertalen 3
behalen 3
overhalen 4
bestralen 3
falen 2
dalen 2
halen 2
afbetalen 4
talen 2
aanbetalen 4
koralen 3
verhalen 3
palen 2
ademhalen 4
vooruitbetalen 5
verdwalen 3
dwalen 2
verschalen 3
verschralen 3
donderstralen 4
aanbevalen 4
aandelenkapitalen 7
astragalen 4
bantoetalen 4
binnenschalen 4
boterschalen 4
brachycefalen 5
conferentiezalen 6
detectiveverhalen 7
fanalen 3
gebarentalen 5
herbetalen 4
incontinentiematerialen 10
koepeltalen 4
koppelingspedalen 6
macrotalen 4
Nog 26 rijmwoorden
morgenstralen 4
neutralen 3
ochtendstralen 4
octopuspalen 5
omgangstalen 4
ontkoppelingspedalen 7
parochiezalen 5
pastoralen 4
piramidalen 5
ridderzalen 4
rijsttroepialen 5
saladeschalen 5
schoollokalen 4
schouwburgzalen 5
speurdersverhalen 5
toeslagenschandalen 6
troepialen 4
turnzalen 4
vampierverhalen 5
verenigingslokalen 7
verkooplokalen 5
vertreksignalen 5
vocalen 3
vrouwentalen 4
vuursignalen 4
wanbetalen 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitbetalen is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. B 3
  5. E 1
  6. T 2
  7. A 1
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitbetalen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. B 4
  5. E 1
  6. T 2
  7. A 1
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 zonder bonus
  12. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitbetalen in het kort

uitbetalen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitbetalen zijn 64 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitbetalen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitbetalen: geld geven om de kosten te voldoen
Deel uitbetalen — standaardnederlands.nl