behalen
werkwoord bəˈhalə(n)Betekenis
- een diploma of certificaat verwerven
- een doel bereiken
Hoe spreek je behalen uit?
/bəˈhalən/
Behalen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| h | hoed |
| a | maan |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van behalen
behalenhele werkwoord — behaaldeverleden tijd enkelvoud — behaaldenverleden tijd meervoud — behaaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | behaal | behaalde |
| jij | behaalt | behaalde |
| hij, zij, het | behaalt | behaalde |
| wij | behalen | behaalden |
| jullie | behalen | behaalden |
| zij | behalen | behaalden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| behaal | gebiedende wijs |
| behaald | verleden tijd, deelwoord |
| behaald te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| behaald te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| behaald te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| behaald te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| behaald te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| behaald worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| behaald zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| behaald zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| behaald zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| behaald zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| behaalde | verleden tijd |
| behale | aanvoegende wijs |
| behalend | onvoltooid, deelwoord |
| ben behaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent behaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is behaald | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was behaald | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd behaald | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt behaald | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal behaald worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal behaald zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou behaald worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou behaald zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had behaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had behaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had behaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden behaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden behaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden behaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt behaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb behaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben behaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben behaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben behaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben behaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt behaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft behaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft behaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is behaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is behaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te behalen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben behaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen behalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart behaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren behaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren behaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren behaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was behaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was behaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was behaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd behaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd behaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd behaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden behaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden behaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden behaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt behaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word behaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden behaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden behaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden behaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt behaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt behaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal behaald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal behaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal behaald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal behaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal behaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal behaald zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal behaald zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal behalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal behalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal behalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn behaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn behaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn behaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt behaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou behaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou behaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou behaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou behaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou behaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou behaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou behaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou behaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou behaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou behalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou behalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou behalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden behaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden behaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden behaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden behaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden behaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden behaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden behaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden behaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden behaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden behalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden behalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden behalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt behaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt behaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt behaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt behalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen behaald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen behaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen behaald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen behaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen behaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen behaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen behaald zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen behaald zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen behaald zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen behalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen behalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen behalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen behalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult behaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult behaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult behaald zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult behalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van halen met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van behalen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| behaal | gebiedende wijs | behalen |
| behaald | voltooid deelwoord | behalen |
| behaalde | verleden tijd | behalen |
| behaalden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | behalen |
| behaalt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | behalen |
| behale | aanvoegende wijs | behalen |
| behalend | onvoltooid deelwoord | behalen |
| behalende | woordvorm | behalen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van behalen zijn vastgelegd.