palen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈpalə(n)Betekenis
- grenzen aan
- geslachtsgemeenschap hebben
Hoe spreek je palen uit?
/ˈpalən/
Palen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| a | maan |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- van houten staken voorzien, met palen afzetten transitive
Vervoeging van palen
palenhele werkwoord — paaldeverleden tijd enkelvoud — paaldenverleden tijd meervoud — gepaaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | paal | paalde |
| jij | paalt | paalde |
| hij, zij, het | paalt | paalde |
| wij | palen | paalden |
| jullie | palen | paalden |
| zij | palen | paalden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gepaald | verleden tijd, deelwoord |
| gepaald te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepaald zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| paal | gebiedende wijs |
| paalde | verleden tijd |
| pale | aanvoegende wijs |
| palend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te palen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen palen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepaald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepaald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal palen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal palen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal palen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou palen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou palen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou palen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden palen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden palen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden palen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt palen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepaald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepaald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen palen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen palen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen palen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen palen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult palen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord paal
Herkomst
van Middelnederlands palen ww , op te vatten als afgeleid van paal zn met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van palen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepaald | voltooid deelwoord | palen |
| gepaalde | woordvorm | palen |
| paalde | verleden tijd | palen |
| paalden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | palen |
| paalt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | palen |
| pale | aanvoegende wijs | palen |
| palend | onvoltooid deelwoord | palen |
| palende | woordvorm | palen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van palen zijn vastgelegd.