dalen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈdalə(n)Betekenis
- naar beneden gaan
- minder waard worden
- blad
- blad, vel
Hoe spreek je dalen uit?
/ˈdalən/
Dalen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| a | maan |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van dalen
dalenhele werkwoord — daaldeverleden tijd enkelvoud — daaldenverleden tijd meervoud — gedaaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | daal | daalde |
| jij | daalt | daalde |
| hij, zij, het | daalt | daalde |
| wij | dalen | daalden |
| jullie | dalen | daalden |
| zij | dalen | daalden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gedaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| daal | gebiedende wijs |
| daalde | verleden tijd |
| dale | aanvoegende wijs |
| dalend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedaald | verleden tijd, deelwoord |
| gedaald te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedaald zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gedaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te dalen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gedaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal dalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedaald zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedaald zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedaald zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gedaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou dalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt dalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen dalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedaald zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedaald zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedaald zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult dalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedaald zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord dal
Herkomst
ww: van Middelnederlands dalen, op te vaten als afgeleid van dal zn met het achtervoegsel -en, in de betekenis van ‘omlaag gaan’ aangetroffen vanaf 1285
Woordfamilie van dalen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| daal | gebiedende wijs | dalen |
| daalde | verleden tijd | dalen |
| daalden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dalen |
| daalt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dalen |
| dale | aanvoegende wijs | dalen |
| gedaald | voltooid deelwoord | dalen |
| gedaalde | woordvorm | dalen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dalen zijn vastgelegd.