halen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈɦalə(n)/Betekenis
- ergens heengaan met als doel om iets of iemand mee terug te brengen
- bereiken van een doel
- zout
Hoe spreek je halen uit?
/ˈhalən/
Halen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| a | maan |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van halen
halenhele werkwoord — haaldeverleden tijd enkelvoud — haaldenverleden tijd meervoud — gehaaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | haal | haalde |
| jij | haalt | haalde |
| hij, zij, het | haalt | haalde |
| wij | halen | haalden |
| jullie | halen | haalden |
| zij | halen | haalden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gehaald | verleden tijd, deelwoord |
| gehaald te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehaald zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| haal | gebiedende wijs |
| haalde | verleden tijd |
| had gehaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hale | aanvoegende wijs |
| halend | onvoltooid, deelwoord |
| heb gehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te halen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gehaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen halen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal halen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal halen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal halen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou halen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou halen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou halen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden halen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden halen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden halen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt halen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen halen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen halen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen halen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen halen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult halen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord haal
Herkomst
In de betekenis van ‘(bij zich) brengen, bemachtigen’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van halen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehaald | voltooid deelwoord | halen |
| haalde | verleden tijd | halen |
| haalden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | halen |
| haalt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | halen |
| hale | aanvoegende wijs | halen |
| halend | onvoltooid deelwoord | halen |
| halende | woordvorm | halen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van halen zijn vastgelegd.