afbetalen
werkwoord ˈɑvbəˌtalə(n)Betekenis
- uitgesteld in termijnen betalen
Hoe spreek je afbetalen uit?
/ˈɑvbəˌtalən/
Afbetalen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| v | vis |
| b | bak |
| ə | de |
| t | tak |
| a | maan |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Vervoeging van afbetalen
afbetalenhele werkwoord — betaalde afverleden tijd enkelvoud — betaalden afverleden tijd meervoud — afbetaaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | betaal af | betaalde af |
| jij | betaalt af | betaalde af |
| hij, zij, het | betaalt af | betaalde af |
| wij | betalen af | betaalden af |
| jullie | betalen af | betaalden af |
| zij | betalen af | betaalden af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te betalen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen betalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal betalen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou betalen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden betalen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt betalen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen betalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen betalen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult betalen | bijzin, toekomende tijd |
| afbetaal | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afbetaald | verleden tijd, deelwoord |
| afbetaald te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afbetaald te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afbetaald te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afbetaald te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afbetaald te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afbetaald worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afbetaald zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afbetaald zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afbetaald zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afbetaald zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afbetaalde | bijzin, verleden tijd |
| afbetaalden | bijzin, verleden tijd |
| afbetaalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afbetalend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| betaal af | gebiedende wijs |
| betaalde af | verleden tijd |
| er is afbetaald | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afbetaald | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afbetaald | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afbetaald | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afbetaald worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afbetaald zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afbetaald worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afbetaald zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afbetaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afbetaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afbetaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afbetaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afbetaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afbetaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afbetaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afbetaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afbetaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afbetalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afbetaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afbetaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afbetaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afbetaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afbetaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afbetaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afbetaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afbetaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afbetaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afbetaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afbetaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afbetaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afbetaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afbetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afbetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afbetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afbetaald zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afbetaald zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afbetalen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afbetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afbetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afbetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afbetaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afbetaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afbetaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afbetalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afbetalen af zou(dt) betalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afbetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afbetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afbetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afbetaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afbetaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afbetaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afbetalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afbetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afbetaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afbetalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afbetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afbetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afbetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afbetaald zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afbetaald zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afbetaald zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afbetalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afbetalen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afbetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en betalen ww
Woordfamilie van afbetalen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afbetaal | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afbetalen |
| afbetaald | voltooid deelwoord | afbetalen |
| afbetaalde | subordinate-clause, verleden tijd | afbetalen |
| afbetaalden | subordinate-clause, verleden tijd | afbetalen |
| afbetaalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afbetalen |
| afbetale | with-subordinate-clause | afbetalen |
| afbetalend | onvoltooid deelwoord | afbetalen |
| afbetalende | woordvorm | afbetalen |
| betaal af | gebiedende wijs | afbetalen |
| betaalde af | verleden tijd | afbetalen |
| betaalden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afbetalen |
| betaalt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afbetalen |
| betale af | woordvorm | afbetalen |
| betalen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afbetalen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afbetalen zijn vastgelegd.