Naar de inhoud

afgaan

naar beneden gaan

afgaan

werkwoord ˈɑfxan

Betekenis

  1. naar beneden gaan
  2. afgeschoten worden, in werking gebracht worden
  3. een slechte indruk nalaten
  4. ~ op zich baseren op
  5. naar iets toegaan, bezoeken
  6. van iets vandaan gaan, verlaten, zich verwijderen, weggaan
  7. verminderen, verzwakken, afnemen
  8. stoelgang hebben, ontlasting hebben
  9. lukken, bedreven zijn

Hoe spreek je afgaan uit?

/ˈɑfxan/

Afgaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑfxan/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
x acht
a maan
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van afgaan

afgaanhele werkwoord — ging afverleden tijd enkelvoud — gingen afverleden tijd meervoud — afgegaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ga af ging af
jij gaat af ging af
hij, zij, het gaat af ging af
wij gaan af gingen af
jullie gaan af gingen af
zij gaan af gingen af
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te gaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal gaan bijzin, toekomende tijd
af zou gaan bijzin, voorwaardelijk
af zouden gaan bijzin, voorwaardelijk
af zoudt gaan bijzin, voorwaardelijk
af zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen gaan bijzin, toekomende tijd
af zult gaan bijzin, toekomende tijd
afga bijzin, tegenwoordige tijd
afgaand onvoltooid, deelwoord
afgaat bijzin, tegenwoordige tijd
afgegaan verleden tijd, deelwoord
afgegaan te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgegaan zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afging bijzin, verleden tijd
afgingen bijzin, verleden tijd
afgingt bijzin, verleden tijd
ben afgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
ga af gebiedende wijs
ging af verleden tijd
is afgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn afgegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afgaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal afgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afgaan bijzin, toekomende tijd
zal afgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn afgegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn afgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afgaan bijzin, voorwaardelijk
zou afgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) afgaan af zou(dt) gaan bijzin, voorwaardelijk
zouden afgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afgaan bijzin, voorwaardelijk
zouden afgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt afgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afgaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen afgaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afgaan bijzin, toekomende tijd
zullen afgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult afgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afgaan bijzin, toekomende tijd
zult afgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal afgaan af zult/zal gaan bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en gaan ww

Woordfamilie van afgaan

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afga subordinate-clause, tegenwoordige tijd afgaan
afgaat subordinate-clause, tegenwoordige tijd afgaan
afgegaan voltooid deelwoord afgaan
afging subordinate-clause, verleden tijd afgaan
afgingen subordinate-clause, verleden tijd afgaan
ga af gebiedende wijs afgaan
gaan af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afgaan
gaat af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afgaan
ging af verleden tijd afgaan
gingen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afgaan

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afgaan zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afgaan

Hoe spreek ik afgaan uit?
Zo spreek je afgaan uit: /ˈɑfxan/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van afgaan?
Afgaan is een werkwoord. De betekenis is: naar beneden gaan. In totaal staan er 9 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afgaan?
Zo vervoeg je afgaan zo: het voltooid deelwoord is afgegaan. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afgaan is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. G 3
  4. A 1
  5. A 1
  6. N 1
  7. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afgaan levert met Wordfeud minimaal 11 en maximaal 57 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. G 3
  4. A 1
  5. A 1
  6. N 1
  7. 11 zonder bonus
  8. 57 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afgaan telt 6 letters, waarvan 4 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

afgaan in het kort

afgaan staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 9 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afgaan staan er 48 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afgaan bij een woordfamilie van 10 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afgaan: naar beneden gaan
Deel afgaan — standaardnederlands.nl