vooruitbetalen
werkwoord vorˈœydbəˌtalə(n)Betekenis
- iets van tevoren betalen
Hoe spreek je vooruitbetalen uit?
/vorˈœydbəˌtalən/
Vooruitbetalen bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| o | boot |
| r | rood |
| œy | huis |
| d | dak |
| b | bak |
| ə | de |
| t | tak |
| a | maan |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Vervoeging van vooruitbetalen
vooruitbetalenhele werkwoord — betaalde vooruitverleden tijd enkelvoud — betaalden vooruitverleden tijd meervoud — vooruitbetaaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | betaal vooruit | betaalde vooruit |
| jij | betaalt vooruit | betaalde vooruit |
| hij, zij, het | betaalt vooruit | betaalde vooruit |
| wij | betalen vooruit | betaalden vooruit |
| jullie | betalen vooruit | betaalden vooruit |
| zij | betalen vooruit | betaalden vooruit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben vooruitbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vooruitbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| betaal vooruit | gebiedende wijs |
| betaalde vooruit | verleden tijd |
| er is vooruitbetaald | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vooruitbetaald | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vooruitbetaald | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vooruitbetaald | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vooruitbetaald worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vooruitbetaald zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vooruitbetaald worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vooruitbetaald zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vooruitbetaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vooruitbetaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vooruitbetaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vooruitbetaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vooruitbetaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vooruitbetaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vooruitbetaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vooruitbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vooruitbetaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vooruitbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vooruitbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vooruitbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vooruitbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vooruitbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vooruitbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vooruitbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vooruitbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vooruitbetaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vooruitbetalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vooruit te betalen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vooruit te zullen betalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vooruit zal betalen | bijzin, toekomende tijd |
| vooruit zou betalen | bijzin, voorwaardelijk |
| vooruit zouden betalen | bijzin, voorwaardelijk |
| vooruit zoudt betalen | bijzin, voorwaardelijk |
| vooruit zullen betalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vooruit zullen betalen | bijzin, toekomende tijd |
| vooruit zult betalen | bijzin, toekomende tijd |
| vooruitbetaal | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vooruitbetaald | verleden tijd, deelwoord |
| vooruitbetaald te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vooruitbetaald te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vooruitbetaald te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vooruitbetaald te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vooruitbetaald te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vooruitbetaald worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vooruitbetaald zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vooruitbetaald zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vooruitbetaald zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vooruitbetaald zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vooruitbetaalde | bijzin, verleden tijd |
| vooruitbetaalden | bijzin, verleden tijd |
| vooruitbetaalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vooruitbetalend | onvoltooid, deelwoord |
| waart vooruitbetaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vooruitbetaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vooruitbetaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vooruitbetaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vooruitbetaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vooruitbetaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vooruitbetaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vooruitbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vooruitbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vooruitbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vooruitbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vooruitbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vooruitbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vooruitbetaald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vooruitbetaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vooruitbetaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vooruitbetaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vooruitbetaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vooruitbetaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vooruitbetaald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal vooruitbetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vooruitbetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vooruitbetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vooruitbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vooruitbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vooruitbetaald zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vooruitbetaald zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vooruitbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vooruitbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vooruitbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vooruitbetalen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn vooruitbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vooruitbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vooruitbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vooruitbetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vooruitbetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vooruitbetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vooruitbetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vooruitbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vooruitbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vooruitbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vooruitbetaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vooruitbetaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vooruitbetaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vooruitbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vooruitbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vooruitbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vooruitbetalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) vooruitbetalen vooruit zou(dt) betalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vooruitbetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vooruitbetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vooruitbetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vooruitbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vooruitbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vooruitbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vooruitbetaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vooruitbetaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vooruitbetaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vooruitbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vooruitbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vooruitbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vooruitbetalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vooruitbetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vooruitbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vooruitbetaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vooruitbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vooruitbetalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen vooruitbetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vooruitbetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vooruitbetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vooruitbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vooruitbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vooruitbetaald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vooruitbetaald zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vooruitbetaald zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vooruitbetaald zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vooruitbetalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vooruitbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vooruitbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vooruitbetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vooruitbetalen | bijzin, toekomende tijd |
| zult vooruitbetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van vooruit bw en betalen ww
Woordfamilie van vooruitbetalen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| betaal vooruit | gebiedende wijs | vooruitbetalen |
| betaalde vooruit | verleden tijd | vooruitbetalen |
| betaalden vooruit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vooruitbetalen |
| betaalt vooruit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vooruitbetalen |
| betale vooruit | woordvorm | vooruitbetalen |
| betalen vooruit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | vooruitbetalen |
| vooruitbetaal | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vooruitbetalen |
| vooruitbetaald | voltooid deelwoord | vooruitbetalen |
| vooruitbetaalde | subordinate-clause, verleden tijd | vooruitbetalen |
| vooruitbetaalden | subordinate-clause, verleden tijd | vooruitbetalen |
| vooruitbetaalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vooruitbetalen |
| vooruitbetale | with-subordinate-clause | vooruitbetalen |
| vooruitbetalend | onvoltooid deelwoord | vooruitbetalen |
| vooruitbetalende | woordvorm | vooruitbetalen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vooruitbetalen zijn vastgelegd.