dicht
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, werkwoord dɪxtBetekenis
- dichtkunst
- het resultaat van die dichtkunst, een gedicht
- nauw aaneengesloten, zonder veel tussenruimte
- waar niets in of doorheen kan gaan, moeilijk doordringbaar
- op compacte wijze
- dichtmaken, dichtdoen: Dat deed de deur dicht.
Hoe spreek je dicht uit?
/dɪxt/
Dicht bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɪ | pit |
| x | acht |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dichten | meervoud |
| dichtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| dichtjes | verkleinwoord, meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- waar niets in of doorheen kan gaan, moeilijk doordringbaar, gesloten
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van dichten
- gebiedende wijs van dichten
Vervoeging van dicht
dichthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘nauw aaneensluitend’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1286
Woordfamilie van dicht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dichtere | woordvorm | dicht |
| dichtje | verkleinwoord | dicht |
| dichtjes | verkleinwoord meervoud | dicht |
| dichts | woordvorm | dicht |
| dichtst | woordvorm | dicht |
| dichtste | woordvorm | dicht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dicht zijn vastgelegd.