dichtmaken
werkwoordBetekenis
- een opening afsluiten
- tweede betekenisomschrijving.
- enz.
Vervoeging van dichtmaken
dichtmakenhele werkwoord — maakte dichtverleden tijd enkelvoud — maakten dichtverleden tijd meervoud — dichtgemaaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | maak dicht | maakte dicht |
| jij | maakt dicht | maakte dicht |
| hij, zij, het | maakt dicht | maakte dicht |
| wij | maken dicht | maakten dicht |
| jullie | maken dicht | maakten dicht |
| zij | maken dicht | maakten dicht |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben dichtgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent dichtgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dicht te maken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dicht te zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dicht zal maken | bijzin, toekomende tijd |
| dicht zou maken | bijzin, voorwaardelijk |
| dicht zouden maken | bijzin, voorwaardelijk |
| dicht zoudt maken | bijzin, voorwaardelijk |
| dicht zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dicht zullen maken | bijzin, toekomende tijd |
| dicht zult maken | bijzin, toekomende tijd |
| dichtgemaakt | verleden tijd, deelwoord |
| dichtgemaakt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dichtgemaakt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dichtgemaakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dichtgemaakt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dichtgemaakt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dichtgemaakt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| dichtgemaakt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| dichtgemaakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dichtgemaakt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dichtgemaakt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dichtmaak | bijzin, tegenwoordige tijd |
| dichtmaakt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| dichtmaakte | bijzin, verleden tijd |
| dichtmaakten | bijzin, verleden tijd |
| dichtmakend | onvoltooid, deelwoord |
| er is dichtgemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was dichtgemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd dichtgemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt dichtgemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal dichtgemaakt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal dichtgemaakt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou dichtgemaakt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou dichtgemaakt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had dichtgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had dichtgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had dichtgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden dichtgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden dichtgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden dichtgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt dichtgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb dichtgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben dichtgemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben dichtgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben dichtgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben dichtgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt dichtgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft dichtgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft dichtgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is dichtgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is dichtgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| maak dicht | gebiedende wijs |
| maakte dicht | verleden tijd |
| te hebben dichtgemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dichtmaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart dichtgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren dichtgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren dichtgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren dichtgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was dichtgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was dichtgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was dichtgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd dichtgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd dichtgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd dichtgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden dichtgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden dichtgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden dichtgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt dichtgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word dichtgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden dichtgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden dichtgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden dichtgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt dichtgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt dichtgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal dichtgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal dichtgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal dichtgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal dichtgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal dichtgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal dichtgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal dichtgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal dichtmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dichtmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dichtmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal dichtmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn dichtgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn dichtgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn dichtgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt dichtgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou dichtgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou dichtgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou dichtgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou dichtgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou dichtgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou dichtgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou dichtgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou dichtgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou dichtgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou dichtmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dichtmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dichtmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou dichtmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) dichtmaken dicht zou(dt) maken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden dichtgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden dichtgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden dichtgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dichtgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dichtgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dichtgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dichtgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden dichtgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden dichtgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dichtmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dichtmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dichtmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden dichtmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt dichtgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt dichtgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt dichtgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt dichtmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt dichtmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen dichtgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen dichtgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen dichtgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen dichtgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dichtgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dichtgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen dichtgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen dichtgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen dichtgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen dichtmaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dichtmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dichtmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dichtmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen dichtmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zult dichtgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van dicht en maken
Woordfamilie van dichtmaken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dichtgemaakt | voltooid deelwoord | dichtmaken |
| dichtgemaakte | woordvorm | dichtmaken |
| dichtmaak | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | dichtmaken |
| dichtmaakt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | dichtmaken |
| dichtmaakte | subordinate-clause, verleden tijd | dichtmaken |
| dichtmaakten | subordinate-clause, verleden tijd | dichtmaken |
| dichtmake | with-subordinate-clause | dichtmaken |
| dichtmakend | onvoltooid deelwoord | dichtmaken |
| dichtmakende | woordvorm | dichtmaken |
| maak dicht | gebiedende wijs | dichtmaken |
| maakt dicht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dichtmaken |
| maakte dicht | verleden tijd | dichtmaken |
| maakten dicht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dichtmaken |
| make dicht | woordvorm | dichtmaken |
| maken dicht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | dichtmaken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dichtmaken zijn vastgelegd.