Naar de inhoud

dichtbinden

met een koord of touw afsluiten

dichtbinden

werkwoord

Betekenis

  1. met een koord of touw afsluiten

Vervoeging van dichtbinden

dichtbindenhele werkwoord — bond dichtverleden tijd enkelvoud — bonden dichtverleden tijd meervoud — dichtgebondenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bind dicht bond dicht
jij bindt dicht bond dicht
hij, zij, het bindt dicht bond dicht
wij binden dicht bonden dicht
jullie binden dicht bonden dicht
zij binden dicht bonden dicht
Alle 108 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
bind dicht gebiedende wijs
bond dicht verleden tijd
dicht te binden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
dicht te zullen binden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
dicht zal binden bijzin, toekomende tijd
dicht zou binden bijzin, voorwaardelijk
dicht zouden binden bijzin, voorwaardelijk
dicht zoudt binden bijzin, voorwaardelijk
dicht zullen binden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
dicht zullen binden bijzin, toekomende tijd
dicht zult binden bijzin, toekomende tijd
dichtbind bijzin, tegenwoordige tijd
dichtbindend onvoltooid, deelwoord
dichtbindt bijzin, tegenwoordige tijd
dichtbond bijzin, verleden tijd
dichtbonden bijzin, verleden tijd
dichtbondt bijzin, verleden tijd
dichtgebonden verleden tijd, deelwoord
dichtgebonden te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
dichtgebonden te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
dichtgebonden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
dichtgebonden te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
dichtgebonden te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
dichtgebonden worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
dichtgebonden zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
dichtgebonden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
dichtgebonden zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
dichtgebonden zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
er is dichtgebonden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was dichtgebonden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd dichtgebonden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt dichtgebonden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal dichtgebonden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal dichtgebonden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou dichtgebonden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou dichtgebonden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had dichtgebonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had dichtgebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had dichtgebonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden dichtgebonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden dichtgebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden dichtgebonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt dichtgebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb dichtgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben dichtgebonden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben dichtgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben dichtgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben dichtgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt dichtgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft dichtgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft dichtgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is dichtgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben dichtgebonden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen dichtbinden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waren dichtgebonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was dichtgebonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd dichtgebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden dichtgebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden dichtgebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt dichtgebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal dichtbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal dichtbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal dichtbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal dichtbinden bijzin, toekomende tijd
zal dichtgebonden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal dichtgebonden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal dichtgebonden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal dichtgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal dichtgebonden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn dichtgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou dichtbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou dichtbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou dichtbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou dichtbinden bijzin, voorwaardelijk
zou dichtgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou dichtgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou dichtgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou dichtgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou dichtgebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) dichtbinden dicht zou(dt) binden bijzin, voorwaardelijk
zouden dichtbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden dichtbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden dichtbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden dichtbinden bijzin, voorwaardelijk
zouden dichtgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden dichtgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden dichtgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden dichtgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden dichtgebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt dichtbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt dichtbinden bijzin, voorwaardelijk
zoudt dichtgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen dichtbinden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen dichtbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen dichtbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen dichtbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen dichtbinden bijzin, toekomende tijd
zullen dichtgebonden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen dichtgebonden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen dichtgebonden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen dichtgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen dichtgebonden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult dichtbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult dichtbinden bijzin, toekomende tijd
zult dichtgebonden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal dichtbinden dicht zult/zal binden bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van dicht en binden

Woordfamilie van dichtbinden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bind dicht gebiedende wijs dichtbinden
binde dicht woordvorm dichtbinden
binden dicht aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon dichtbinden
bindt dicht aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon dichtbinden
bond dicht verleden tijd dichtbinden
bonden dicht aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon dichtbinden
dichtbind subordinate-clause, tegenwoordige tijd dichtbinden
dichtbinde with-subordinate-clause dichtbinden
dichtbindend onvoltooid deelwoord dichtbinden
dichtbindende woordvorm dichtbinden
dichtbindt subordinate-clause, tegenwoordige tijd dichtbinden
dichtbond subordinate-clause, verleden tijd dichtbinden
dichtbonden subordinate-clause, verleden tijd dichtbinden
dichtgebonden voltooid deelwoord dichtbinden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dichtbinden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over dichtbinden

Wat betekent dichtbinden?
Dichtbinden is een werkwoord. Het woord betekent: met een koord of touw afsluiten.
Hoe vervoeg je dichtbinden?
Je vervoegt dichtbinden als volgt: het voltooid deelwoord is dichtgebonden. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord dichtbinden is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. I 1
  3. C 5
  4. H 4
  5. T 2
  6. B 3
  7. I 1
  8. N 1
  9. D 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

dichtbinden levert met Wordfeud minimaal 26 en maximaal 108 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. I 2
  3. C 5
  4. H 4
  5. T 2
  6. B 4
  7. I 2
  8. N 1
  9. D 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 26 zonder bonus
  13. 108 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

dichtbinden in het kort

dichtbinden staat in dit woordenboek als werkwoord. Van dichtbinden zijn 80 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort dichtbinden bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

dichtbinden: met een koord of touw afsluiten
Deel dichtbinden — standaardnederlands.nl