ophokplicht
zelfstandig naamwoord ˈɔphɔkˌplɪxtBetekenis
- wettelijke verplichting om pluimvee in het hok te houden om verspreiding van een besmettelijke ziekte tegen te gaan
- de vanwege de urennorm opgelegde verplichting aan leerlingen om 1040 uur in de klas te blijven, ook als er geen les gegeven wordt
- bijnaam voor de instructie van de overheid om thuis te blijven zodat covid-19 zich niet snel kan verspreiden
Hoe spreek je ophokplicht uit?
/ˈɔphɔkˌplɪxt/
Ophokplicht bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| h | hoed |
| k | kat |
| l | land |
| ɪ | pit |
| x | acht |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ophokplichten | meervoud |
| ophokplichtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ophokplichtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van ophok ww en plicht zn
Woordfamilie van ophokplicht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ophokplichten | meervoud | ophokplicht |
| ophokplichtje | verkleinwoord | ophokplicht |
| ophokplichtjes | verkleinwoord meervoud | ophokplicht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ophokplicht zijn vastgelegd.