zicht
zelfstandig naamwoord, werkwoord zɪxtBetekenis
- de afstand die je kunt kijken door de lucht
- gezichtsvermogen
- in het zicht: dat wat men kan zien, zichtbaar
- uit het zicht: dat wat men niet kan zien, onzichtbaar
Hoe spreek je zicht uit?
/zɪxt/
Zicht bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɪ | pit |
| x | acht |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — neuter
- zicht hebben op: dat wat men kan begrijpen figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zichtje | verkleinwoord, eerste persoon |
| zichtjes | verkleinwoord, enkelvoud |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- kleine zeis
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zichten | enkelvoud |
| zichtje | verkleinwoord, tweede persoon |
| zichtjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van zichten
- gebiedende wijs van zichten
Vervoeging van zicht
zichthele werkwoord
Woordfamilie van zicht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zichtje | verkleinwoord, 1e persoon | zicht |
| zichtjes | verkleinwoord | zicht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zicht zijn vastgelegd.