Naar de inhoud

dichtrijden

een achterstand ten opzichte van een tegenstander door rijden verkleinen

dichtrijden

werkwoord

Betekenis

  1. een achterstand ten opzichte van een tegenstander door rijden verkleinen

Vervoeging van dichtrijden

dichtrijdenhele werkwoord — reed dichtverleden tijd enkelvoud — reden dichtverleden tijd meervoud — dichtgeredenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rij dicht reed dicht
jij rijdt dicht reed dicht
hij, zij, het rijdt dicht reed dicht
wij rijden dicht reden dicht
jullie rijden dicht reden dicht
zij rijden dicht reden dicht
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben dichtgereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent dichtgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
dicht te rijden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
dicht te zullen rijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
dicht zal rijden bijzin, toekomende tijd
dicht zou rijden bijzin, voorwaardelijk
dicht zouden rijden bijzin, voorwaardelijk
dicht zoudt rijden bijzin, voorwaardelijk
dicht zullen rijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
dicht zullen rijden bijzin, toekomende tijd
dicht zult rijden bijzin, toekomende tijd
dichtgereden verleden tijd, deelwoord
dichtgereden te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
dichtgereden te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
dichtgereden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
dichtgereden te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
dichtgereden te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
dichtgereden worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
dichtgereden zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
dichtgereden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
dichtgereden zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
dichtgereden zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
dichtreden bijzin, verleden tijd
dichtreed bijzin, verleden tijd
dichtrij bijzin, tegenwoordige tijd
dichtrijd bijzin, tegenwoordige tijd
dichtrijdend onvoltooid, deelwoord
dichtrijdt bijzin, tegenwoordige tijd
er is dichtgereden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was dichtgereden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd dichtgereden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt dichtgereden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal dichtgereden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal dichtgereden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou dichtgereden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou dichtgereden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. rij dicht/ rijd dicht gebiedende wijs
had dichtgereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had dichtgereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had dichtgereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden dichtgereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden dichtgereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden dichtgereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt dichtgereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb dichtgereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben dichtgereden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben dichtgereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben dichtgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben dichtgereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt dichtgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft dichtgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft dichtgereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is dichtgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is dichtgereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
reed dicht verleden tijd
te hebben dichtgereden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen dichtrijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart dichtgereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren dichtgereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren dichtgereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren dichtgereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was dichtgereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was dichtgereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was dichtgereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd dichtgereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd dichtgereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd dichtgereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden dichtgereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden dichtgereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden dichtgereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt dichtgereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word dichtgereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden dichtgereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden dichtgereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden dichtgereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt dichtgereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt dichtgereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal dichtgereden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal dichtgereden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal dichtgereden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal dichtgereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal dichtgereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal dichtgereden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal dichtgereden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal dichtrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal dichtrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal dichtrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal dichtrijden bijzin, toekomende tijd
zijn dichtgereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn dichtgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn dichtgereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt dichtgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou dichtgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou dichtgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou dichtgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou dichtgereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou dichtgereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou dichtgereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou dichtgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou dichtgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou dichtgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou dichtrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou dichtrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou dichtrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou dichtrijden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) dichtrijden dicht zou(dt) rijden bijzin, voorwaardelijk
zouden dichtgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden dichtgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden dichtgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden dichtgereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden dichtgereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden dichtgereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden dichtgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden dichtgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden dichtgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden dichtrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden dichtrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden dichtrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden dichtrijden bijzin, voorwaardelijk
zoudt dichtgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt dichtgereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt dichtgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt dichtrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt dichtrijden bijzin, voorwaardelijk
zullen dichtgereden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen dichtgereden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen dichtgereden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen dichtgereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen dichtgereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen dichtgereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen dichtgereden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen dichtgereden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen dichtgereden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen dichtrijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen dichtrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen dichtrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen dichtrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen dichtrijden bijzin, toekomende tijd
zult dichtgereden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van dicht en rijden

Woordfamilie van dichtrijden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
dichtgereden voltooid deelwoord dichtrijden
dichtreden subordinate-clause, verleden tijd dichtrijden
dichtreed subordinate-clause, verleden tijd dichtrijden
dichtrij subordinate-clause, tegenwoordige tijd dichtrijden
dichtrijd subordinate-clause, tegenwoordige tijd dichtrijden
dichtrijde with-subordinate-clause dichtrijden
dichtrijdend onvoltooid deelwoord dichtrijden
dichtrijdende woordvorm dichtrijden
dichtrijdt subordinate-clause, tegenwoordige tijd dichtrijden
reden dicht aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon dichtrijden
reed dicht verleden tijd dichtrijden
rij dicht aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon dichtrijden
rijd dicht aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon dichtrijden
rijde dicht woordvorm dichtrijden
rijden dicht aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon dichtrijden
rijdt dicht aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon dichtrijden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dichtrijden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over dichtrijden

Wat betekent dichtrijden?
Dichtrijden is een werkwoord. Het woord betekent: een achterstand ten opzichte van een tegenstander door rijden verkleinen.
Hoe vervoeg je dichtrijden?
Je vervoegt dichtrijden als volgt: het voltooid deelwoord is dichtgereden. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord dichtrijden is 25 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. I 1
  3. C 5
  4. H 4
  5. T 2
  6. R 2
  7. I 1
  8. J 4
  9. D 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 25 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

dichtrijden levert met Wordfeud minimaal 27 en maximaal 111 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. I 2
  3. C 5
  4. H 4
  5. T 2
  6. R 2
  7. I 2
  8. J 4
  9. D 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 27 zonder bonus
  13. 111 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

dichtrijden in het kort

dichtrijden staat in dit woordenboek als werkwoord. Van dichtrijden zijn 90 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort dichtrijden bij een woordfamilie van 16 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

dichtrijden: een achterstand ten opzichte van een tegenstander door rijden verkleinen
Deel dichtrijden — standaardnederlands.nl