gezicht
zelfstandig naamwoord, werkwoord ɣəˈzɪxtBetekenis
- de voorkant van een menselijk hoofd
- een persoon
- het vermogen om te kunnen te zien
- dat wat men ziet, een landschap
Hoe spreek je gezicht uit?
/xəˈzɪxt/
Gezicht bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ə | de |
| z | zon |
| ɪ | pit |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- datgene wat men ziet, bijv. een landschap
- uiterlijk kenmerk figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gezichten | meervoud |
| gezichtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gezichtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van zichten
Vervoeging van gezicht
gezichthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘het zien’ voor het eerst aangetroffen in 1100
Woordfamilie van gezicht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezichten | meervoud | gezicht |
| gezichtje | verkleinwoord | gezicht |
| gezichtjes | verkleinwoord meervoud | gezicht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gezicht zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- gezichtloos
- gezichtsbedrog
- gezichtsbehandeling
- gezichtscrème
- gezichtseinder
- gezichtsherkenning
- gezichtshoek
- gezichtshuid
- gezichtsloos
- gezichtsmasker
- gezichtsmassage
- gezichtspunt
- gezichtssluier
- gezichtsstoornis
- gezichtstransplantatie
- gezichtsuitdrukking
- gezichtsveld
- gezichtsverlies
- gezichtsvermogen
- gezichtsverzorging
- gezichtsvorm