Naar de inhoud

dichtlopen

geheel zwart worden

dichtlopen

werkwoord

Betekenis

  1. geheel zwart worden
  2. een achterstand ten opzichte van een tegenstander door lopen kleiner maken

Vervoeging van dichtlopen

dichtlopenhele werkwoord — liep dichtverleden tijd enkelvoud — liepen dichtverleden tijd meervoud — dichtgelopenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik loop dicht liep dicht
jij loopt dicht liep dicht
hij, zij, het loopt dicht liep dicht
wij lopen dicht liepen dicht
jullie lopen dicht liepen dicht
zij lopen dicht liepen dicht
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben dichtgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent dichtgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
dicht te lopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
dicht te zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
dicht zal lopen bijzin, toekomende tijd
dicht zou lopen bijzin, voorwaardelijk
dicht zouden lopen bijzin, voorwaardelijk
dicht zoudt lopen bijzin, voorwaardelijk
dicht zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
dicht zullen lopen bijzin, toekomende tijd
dicht zult lopen bijzin, toekomende tijd
dichtgelopen verleden tijd, deelwoord
dichtgelopen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
dichtgelopen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
dichtgelopen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
dichtgelopen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
dichtgelopen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
dichtgelopen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
dichtgelopen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
dichtgelopen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
dichtgelopen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
dichtgelopen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
dichtliep bijzin, verleden tijd
dichtliepen bijzin, verleden tijd
dichtloop bijzin, tegenwoordige tijd
dichtloopt bijzin, tegenwoordige tijd
dichtlopend onvoltooid, deelwoord
er is dichtgelopen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was dichtgelopen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd dichtgelopen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt dichtgelopen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal dichtgelopen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal dichtgelopen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou dichtgelopen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou dichtgelopen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had dichtgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had dichtgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had dichtgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden dichtgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden dichtgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden dichtgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt dichtgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb dichtgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben dichtgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben dichtgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben dichtgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben dichtgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt dichtgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft dichtgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft dichtgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is dichtgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is dichtgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
liep dicht verleden tijd
loop dicht gebiedende wijs
te hebben dichtgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen dichtlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart dichtgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren dichtgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren dichtgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren dichtgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was dichtgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was dichtgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was dichtgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd dichtgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd dichtgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd dichtgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden dichtgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden dichtgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden dichtgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt dichtgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word dichtgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden dichtgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden dichtgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden dichtgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt dichtgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt dichtgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal dichtgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal dichtgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal dichtgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal dichtgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal dichtgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal dichtgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal dichtgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal dichtlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal dichtlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal dichtlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal dichtlopen bijzin, toekomende tijd
zijn dichtgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn dichtgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn dichtgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt dichtgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou dichtgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou dichtgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou dichtgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou dichtgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou dichtgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou dichtgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou dichtgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou dichtgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou dichtgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou dichtlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou dichtlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou dichtlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou dichtlopen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) dichtlopen dicht zou(dt) lopen bijzin, voorwaardelijk
zouden dichtgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden dichtgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden dichtgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden dichtgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden dichtgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden dichtgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden dichtgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden dichtgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden dichtgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden dichtlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden dichtlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden dichtlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden dichtlopen bijzin, voorwaardelijk
zoudt dichtgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt dichtgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt dichtgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt dichtlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt dichtlopen bijzin, voorwaardelijk
zullen dichtgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen dichtgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen dichtgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen dichtgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen dichtgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen dichtgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen dichtgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen dichtgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen dichtgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen dichtlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen dichtlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen dichtlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen dichtlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen dichtlopen bijzin, toekomende tijd
zult dichtgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van dicht en lopen

Woordfamilie van dichtlopen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
dichtgelopen voltooid deelwoord dichtlopen
dichtliep subordinate-clause, verleden tijd dichtlopen
dichtliepen subordinate-clause, verleden tijd dichtlopen
dichtloop subordinate-clause, tegenwoordige tijd dichtlopen
dichtloopt subordinate-clause, tegenwoordige tijd dichtlopen
dichtlope with-subordinate-clause dichtlopen
dichtlopend onvoltooid deelwoord dichtlopen
dichtlopende woordvorm dichtlopen
liep dicht verleden tijd dichtlopen
liepen dicht aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon dichtlopen
loop dicht gebiedende wijs dichtlopen
loopt dicht aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon dichtlopen
lope dicht woordvorm dichtlopen
lopen dicht aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon dichtlopen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dichtlopen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over dichtlopen

Wat betekent dichtlopen?
Dichtlopen is een werkwoord. Het woord betekent: geheel zwart worden. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je dichtlopen?
Je vervoegt dichtlopen als volgt: het voltooid deelwoord is dichtgelopen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord dichtlopen is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. I 1
  3. C 5
  4. H 4
  5. T 2
  6. L 3
  7. O 1
  8. P 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

dichtlopen levert met Wordfeud minimaal 25 en maximaal 105 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. I 2
  3. C 5
  4. H 4
  5. T 2
  6. L 3
  7. O 1
  8. P 4
  9. E 1
  10. N 1
  11. 25 zonder bonus
  12. 105 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

dichtlopen in het kort

dichtlopen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van dichtlopen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort dichtlopen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

dichtlopen: geheel zwart worden
Deel dichtlopen — standaardnederlands.nl