dichtlopen
werkwoordBetekenis
- geheel zwart worden
- een achterstand ten opzichte van een tegenstander door lopen kleiner maken
Vervoeging van dichtlopen
dichtlopenhele werkwoord — liep dichtverleden tijd enkelvoud — liepen dichtverleden tijd meervoud — dichtgelopenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | loop dicht | liep dicht |
| jij | loopt dicht | liep dicht |
| hij, zij, het | loopt dicht | liep dicht |
| wij | lopen dicht | liepen dicht |
| jullie | lopen dicht | liepen dicht |
| zij | lopen dicht | liepen dicht |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben dichtgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent dichtgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dicht te lopen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dicht te zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dicht zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
| dicht zou lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| dicht zouden lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| dicht zoudt lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| dicht zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dicht zullen lopen | bijzin, toekomende tijd |
| dicht zult lopen | bijzin, toekomende tijd |
| dichtgelopen | verleden tijd, deelwoord |
| dichtgelopen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dichtgelopen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dichtgelopen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dichtgelopen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dichtgelopen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dichtgelopen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| dichtgelopen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| dichtgelopen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dichtgelopen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dichtgelopen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dichtliep | bijzin, verleden tijd |
| dichtliepen | bijzin, verleden tijd |
| dichtloop | bijzin, tegenwoordige tijd |
| dichtloopt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| dichtlopend | onvoltooid, deelwoord |
| er is dichtgelopen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was dichtgelopen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd dichtgelopen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt dichtgelopen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal dichtgelopen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal dichtgelopen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou dichtgelopen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou dichtgelopen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had dichtgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had dichtgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had dichtgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden dichtgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden dichtgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden dichtgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt dichtgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb dichtgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben dichtgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben dichtgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben dichtgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben dichtgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt dichtgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft dichtgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft dichtgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is dichtgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is dichtgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| liep dicht | verleden tijd |
| loop dicht | gebiedende wijs |
| te hebben dichtgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dichtlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart dichtgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren dichtgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren dichtgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren dichtgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was dichtgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was dichtgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was dichtgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd dichtgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd dichtgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd dichtgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden dichtgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden dichtgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden dichtgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt dichtgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word dichtgelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden dichtgelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden dichtgelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden dichtgelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt dichtgelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt dichtgelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal dichtgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal dichtgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal dichtgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal dichtgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal dichtgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal dichtgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal dichtgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal dichtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dichtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dichtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal dichtlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn dichtgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn dichtgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn dichtgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt dichtgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou dichtgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou dichtgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou dichtgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou dichtgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou dichtgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou dichtgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou dichtgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou dichtgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou dichtgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou dichtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dichtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dichtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou dichtlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) dichtlopen dicht zou(dt) lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden dichtgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden dichtgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden dichtgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dichtgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dichtgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dichtgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dichtgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden dichtgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden dichtgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dichtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dichtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dichtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden dichtlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt dichtgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt dichtgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt dichtgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt dichtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt dichtlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen dichtgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen dichtgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen dichtgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen dichtgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dichtgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dichtgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen dichtgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen dichtgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen dichtgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen dichtlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dichtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dichtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dichtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen dichtlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult dichtgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van dicht en lopen
Woordfamilie van dichtlopen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dichtgelopen | voltooid deelwoord | dichtlopen |
| dichtliep | subordinate-clause, verleden tijd | dichtlopen |
| dichtliepen | subordinate-clause, verleden tijd | dichtlopen |
| dichtloop | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | dichtlopen |
| dichtloopt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | dichtlopen |
| dichtlope | with-subordinate-clause | dichtlopen |
| dichtlopend | onvoltooid deelwoord | dichtlopen |
| dichtlopende | woordvorm | dichtlopen |
| liep dicht | verleden tijd | dichtlopen |
| liepen dicht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dichtlopen |
| loop dicht | gebiedende wijs | dichtlopen |
| loopt dicht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dichtlopen |
| lope dicht | woordvorm | dichtlopen |
| lopen dicht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | dichtlopen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dichtlopen zijn vastgelegd.