dichten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈdɪxtə(n)Betekenis
- sluiten van een gat, opening
- een gedicht, verzen maken
Hoe spreek je dichten uit?
/ˈdɪxtən/
Dichten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɪ | pit |
| x | acht |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van dichten
dichtenhele werkwoord — dichtteverleden tijd enkelvoud — dichttenverleden tijd meervoud — gedichtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dicht | dichtte |
| jij | dicht | dichtte |
| hij, zij, het | dicht | dichtte |
| wij | dichten | dichtten |
| jullie | dichten | dichtten |
| zij | dichten | dichtten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dicht | gebiedende wijs |
| dichte | aanvoegende wijs |
| dichtend | onvoltooid, deelwoord |
| dichtte | verleden tijd |
| er is gedicht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedicht | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedicht | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedicht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedicht worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedicht zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedicht worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedicht zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedicht | verleden tijd, deelwoord |
| gedicht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedicht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedicht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedicht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedicht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedicht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedicht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedicht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedicht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedicht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedicht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedicht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedicht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedicht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te dichten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedicht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dichten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal dichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedicht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedicht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedicht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou dichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt dichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen dichten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedicht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedicht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedicht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult dichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedicht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord dicht
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘verzen maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Woordfamilie van dichten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dichtend | onvoltooid deelwoord | dichten |
| dichtende | woordvorm | dichten |
| dichtte | verleden tijd | dichten |
| dichtten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dichten |
| gedichte | woordvorm | dichten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dichten zijn vastgelegd.