dichtgaan
werkwoord ˈdɪ(xt)xanBetekenis
- sluiten
- genezen
Hoe spreek je dichtgaan uit?
/ˈdɪxtxan/
Dichtgaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɪ | pit |
| x | acht |
| t | tak |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van dichtgaan
dichtgaanhele werkwoord — ging dichtverleden tijd enkelvoud — gingen dichtverleden tijd meervoud — dichtgegaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ga dicht | ging dicht |
| jij | gaat dicht | ging dicht |
| hij, zij, het | gaat dicht | ging dicht |
| wij | gaan dicht | gingen dicht |
| jullie | gaan dicht | gingen dicht |
| zij | gaan dicht | gingen dicht |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben dichtgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent dichtgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dicht te gaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dicht te zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dicht zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
| dicht zou gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| dicht zouden gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| dicht zoudt gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| dicht zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dicht zullen gaan | bijzin, toekomende tijd |
| dicht zult gaan | bijzin, toekomende tijd |
| dichtga | bijzin, tegenwoordige tijd |
| dichtgaand | onvoltooid, deelwoord |
| dichtgaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| dichtgegaan | verleden tijd, deelwoord |
| dichtgegaan te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dichtgegaan zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dichtging | bijzin, verleden tijd |
| dichtgingen | bijzin, verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| ga dicht | gebiedende wijs |
| ging dicht | verleden tijd |
| is dichtgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is dichtgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn dichtgegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dichtgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart dichtgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren dichtgegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren dichtgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren dichtgegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was dichtgegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was dichtgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was dichtgegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal dichtgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dichtgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dichtgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal dichtgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zal dichtgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal dichtgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal dichtgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn dichtgegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn dichtgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn dichtgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn dichtgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt dichtgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou dichtgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dichtgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dichtgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou dichtgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou dichtgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou dichtgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou dichtgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) dichtgaan dicht zou(dt) gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden dichtgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dichtgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dichtgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden dichtgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden dichtgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden dichtgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden dichtgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt dichtgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt dichtgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt dichtgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen dichtgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dichtgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dichtgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dichtgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen dichtgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zullen dichtgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen dichtgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen dichtgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult dichtgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult dichtgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult dichtgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal dichtgaan dicht zult/zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van dicht en gaan
Woordfamilie van dichtgaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dichtga | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | dichtgaan |
| dichtgaand | onvoltooid deelwoord | dichtgaan |
| dichtgaande | woordvorm | dichtgaan |
| dichtgaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | dichtgaan |
| dichtgegaan | voltooid deelwoord | dichtgaan |
| dichtging | subordinate-clause, verleden tijd | dichtgaan |
| dichtgingen | subordinate-clause, verleden tijd | dichtgaan |
| ga dicht | gebiedende wijs | dichtgaan |
| gaan dicht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | dichtgaan |
| gaat dicht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dichtgaan |
| ging dicht | verleden tijd | dichtgaan |
| gingen dicht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dichtgaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dichtgaan zijn vastgelegd.