dag
zelfstandig naamwoord, tussenwerpsel, werkwoord dɑxBetekenis
- het symbool voor decagram, een massa (gewicht) van 10 gram of 0,01 kilogram
- de aanwezigheid van elektromagnetische straling op de door de zon bestraalde helft van een planeet, en die vooral effecten als opwarming en verlichting veroorzaakt
- tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn eigen as draait (voor de aarde 24 uur)
- tijd tussen zonsop- en zonsondergang
- dag van de arbeid: socialistische feestdag op 1 mei
- ontmoetingsgroet
- afscheidsgroet
- touw
- dolk, voegijzer
- (24 uur)
- (van zonsop- tot zonsondergang)
- (ontmoetingsgroet)
- (afscheidsgroet)
- deeg
- berg
Hoe spreek je dag uit?
/dɑx/
Dag bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɑ | bad |
| x | acht |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (daagje) | verkleinwoord, enkelvoud |
| (daagjes) | verkleinwoord, meervoud |
| dagen | meervoud |
| dagje | verkleinwoord, enkelvoud |
| dagjes | verkleinwoord, meervoud |
Verbuiging en vervoeging (tussenwerpsel)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] dag | canonical |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| daggen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van daggen
- gebiedende wijs van daggen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van daggen
Vervoeging van dag
daghele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] dag | canonical |
Woordfamilie van dag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| daagje | woordvorm | dag |
| daagjes | meervoud | dag |
| dagje | verkleinwoord | dag |
| dagjes | verkleinwoord meervoud | dag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dag zijn vastgelegd.