dagdieven
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈdɑɣdivə(n)Betekenis
- nietsdoen.
Hoe spreek je dagdieven uit?
/ˈdɑxdivən/
Dagdieven bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| i | riet |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- geen nuttige activiteiten ondernemen pejorative, unergative
Vervoeging van dagdieven
dagdievenhele werkwoord — dagdiefdeverleden tijd enkelvoud — dagdiefdenverleden tijd meervoud — gedagdiefdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dagdief | dagdiefde |
| jij | dagdieft | dagdiefde |
| hij, zij, het | dagdieft | dagdiefde |
| wij | dagdieven | dagdiefden |
| jullie | dagdieven | dagdiefden |
| zij | dagdieven | dagdiefden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dagdief | gebiedende wijs |
| dagdiefde | verleden tijd |
| dagdieve | aanvoegende wijs |
| dagdievend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedagdiefd | verleden tijd, deelwoord |
| gedagdiefd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedagdiefd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedagdiefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedagdiefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedagdiefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedagdiefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedagdiefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedagdiefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedagdiefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedagdiefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedagdiefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedagdiefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedagdiefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedagdiefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedagdiefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedagdiefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedagdiefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te dagdieven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedagdiefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dagdieven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal dagdieven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dagdieven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dagdieven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedagdiefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedagdiefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedagdiefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou dagdieven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dagdieven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dagdieven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedagdiefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedagdiefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedagdiefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dagdieven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dagdieven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dagdieven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedagdiefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedagdiefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedagdiefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt dagdieven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedagdiefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen dagdieven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dagdieven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dagdieven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dagdieven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedagdiefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedagdiefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedagdiefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult dagdieven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedagdiefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord dagdief
Herkomst
afgeleid van dagdief zn met het achtervoegsel -en, waarbij de slotmedeklinker weer stemhebbend wordt
Woordfamilie van dagdieven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dagdiefde | verleden tijd | dagdieven |
| dagdiefden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dagdieven |
| dagdieft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dagdieven |
| dagdieve | aanvoegende wijs | dagdieven |
| dagdievend | onvoltooid deelwoord | dagdieven |
| dagdievende | woordvorm | dagdieven |
| gedagdiefd | voltooid deelwoord | dagdieven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dagdieven zijn vastgelegd.