kalender
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- tabel die de verdeling van het jaar in dagen, weken of jaren aangeeft, evt. met feestdagen enz
- lijst van de kerkelijke feesten en heiligendagen
- jaartelling volgens de
- gebeurtenissen en activiteiten die volgens een tijdschema gepland zijn
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kalenders | meervoud |
| kalendertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kalendertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- onverbogen vorm van de vergrotende trap van kalend
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘tijdoverzicht’ voor het eerst aangetroffen in 1573
Woordfamilie van kalender
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kalendertje | verkleinwoord | kalender |
| kalendertjes | verkleinwoord meervoud | kalender |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kalender zijn vastgelegd.