middag
zelfstandig naamwoord ˈmɪdɑxBetekenis
- het midden van de dag, 12.00
- (in Nederland) het gedeelte van de dag tussen 12.00 en 18.00 uur; namiddag
- het midden van het leven
- middag
Hoe spreek je middag uit?
/ˈmɪdɑx/
Middag bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɪ | pit |
| d | dak |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- het gedeelte van de dag tussen 12.00 en 18.00 uur; namiddag
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| middagen | meervoud |
| middagje | verkleinwoord, enkelvoud |
| middagjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘midden van de dag’ voor het eerst aangetroffen in 1236
Woordfamilie van middag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| middagen | meervoud | middag |
| middagje | verkleinwoord | middag |
| middagjes | verkleinwoord meervoud | middag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van middag zijn vastgelegd.