festivaldag
zelfstandig naamwoord ˈfɛstivɑlˌdɑxBetekenis
- geheel van de onderdelen van een feestelijk evenement die op dezelfde datum plaatsvinden
- datum waarop een feestelijk evenement plaatsvindt
Hoe spreek je festivaldag uit?
/ˈfɛstivɑlˌdɑx/
Festivaldag bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| ɛ | bed |
| s | sok |
| t | tak |
| i | riet |
| v | vis |
| ɑ | bad |
| l | land |
| d | dak |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| festivaldagen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van festival zn en dag zn
Woordfamilie van festivaldag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| festivaldagen | meervoud | festivaldag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van festivaldag zijn vastgelegd.