morgen
zelfstandig naamwoord, bijwoord, tussenwerpsel ˈmɔrɣə(n)Betekenis
- het eerste deel van de dag, na de nacht en vóór de middag
- de eerstvolgende dag na vandaag
- goedemorgen
- de eerstvolgende dag na vandaag.
- morgen, ochtend
Hoe spreek je morgen uit?
/ˈmɔrxən/
Morgen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| morgens | meervoud |
| morgentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| morgentjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
erfwoord, via Middelnederlands morghen van Oudnederlands morgan **zn: in de betekenis van ‘ochtend’ aangetroffen vanaf 901 ***zn [2]: de hoeveelheid land die in een ochtend kan worden bewerkt **bw: al in de middeleeuwen afgeleid van het zelfstandig naamwoord
Woordfamilie van morgen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| morgentje | verkleinwoord | morgen |
| morgentjes | verkleinwoord meervoud | morgen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van morgen zijn vastgelegd.