donderdag
zelfstandig naamwoord ˈdɔndərˌdɑxBetekenis
- een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
Hoe spreek je donderdag uit?
/ˈdɔndərˌdɑx/
Donderdag bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| ə | de |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| do. | |
| donderdagen | meervoud |
| donderdagje | verkleinwoord, enkelvoud |
| donderdagjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands donderdach / donresdach, in de betekenis van ‘vijfde dag van de week’ aangetroffen vanaf 1257 eponiem: samenstelling van Donar en "naam van de Germaanse god Thor" en dag zn met het invoegsel -s- , een leenvertaling van Latijn dies Iovis "dag van Jupiter" die met Wodan gelijkgesteld werd
Woordfamilie van donderdag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| donderdagen | meervoud | donderdag |
| donderdagje | verkleinwoord | donderdag |
| donderdagjes | verkleinwoord meervoud | donderdag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van donderdag zijn vastgelegd.