vlag
zelfstandig naamwoord, werkwoord /vlɑχ/Betekenis
- een lap stof met op vaste wijze geschikte kleuren die gevoerd wordt als symbool van een partij of natie
Hoe spreek je vlag uit?
/vlɑx/
Vlag bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| l | land |
| ɑ | bad |
| x | acht |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- lap stof met een vast patroon van kleuren die gevoerd wordt als symbool van een organisatie, beweging of natie
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vlaggen | meervoud |
| vlaggetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vlaggetjes | verkleinwoord, meervoud |
| vlagje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vlagjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vlaggen
- gebiedende wijs van vlaggen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vlaggen
Vervoeging van vlag
vlaghele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands vlagge, in de betekenis van ‘stuk doek als onderscheidingsteken’ aangetroffen vanaf 1415
Woordfamilie van vlag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vlaggetje | verkleinwoord | vlag |
| vlaggetjes | verkleinwoord meervoud | vlag |
| vlagje | verkleinwoord | vlag |
| vlagjes | verkleinwoord meervoud | vlag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vlag zijn vastgelegd.