slag
zelfstandig naamwoord slɑxBetekenis
- militair treffen
- het opzettelijk doen belanden van een hand of een voorwerp op iemand
- een pijnlijke of nadelige gebeurtenis
- een aantal kaarten, van iedere speler gewoonlijk één, die door een bepaalde speler gewonnen worden
- geluid gemaakt door een ontploffing of een klap (slagwerk)
- het slaan van het hart (hartslag) dat voelbaar is aan de pols (polsslag)
- beweging van de armen bij zwemmen (zwemslag)
- beweging van de benen bij schaatsen (schaatsslag)
- een draaiing van iets (een slag in het haar)
- de keer dat iets ronddraait
- een soort of categorie, gewoonlijk van mensen
Hoe spreek je slag uit?
/slɑx/
Slag bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| l | land |
| ɑ | bad |
| x | acht |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| slagen | enkelvoud |
| slagje | verkleinwoord |
| slagjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘klap’ voor het eerst aangetroffen in 1220
Woordfamilie van slag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| slagje | verkleinwoord | slag |
| slagjes | verkleinwoord | slag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van slag zijn vastgelegd.