combinatie
zelfstandig naamwoord ˌkɔmbiˈna(t)siBetekenis
- het verband tussen begrippen, zaken, etc
- het samenvoegen of verbinden van twee of meer afzonderlijke zaken of personen tot een eenheid of een geheel
- voertuig met aanhanger of ander gevolg
- kledingstukken die bij elkaar passen
- samenspel waarbij de bal vlot rondgaat
- ruiter en springpaard samen
- reeks zetten in het schaak- of damspel die een speler achtereenvolgens doet om een doorbraak te forceren
Hoe spreek je combinatie uit?
/ˌkɔmbiˈnatsi/
Combinatie bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɔ | bot |
| m | maan |
| b | bak |
| i | riet |
| n | nek |
| a | maan |
| t | tak |
| s | sok |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| combinaties | meervoud |
| combinatietje | verkleinwoord, enkelvoud |
| combinatietjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verbinding’ voor het eerst aangetroffen in 1748
Woordfamilie van combinatie
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| combinaties | meervoud | combinatie |
| combinatietje | verkleinwoord | combinatie |
| combinatietjes | verkleinwoord meervoud | combinatie |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van combinatie zijn vastgelegd.