helen
werkwoord /'ɦelə(n)/Betekenis
- gezond worden
- (met opzet) gestolen goed in ontvangst nemen
Hoe spreek je helen uit?
/ˈhelən/
Helen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| e | veel |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- gestolen goed in ontvangst nemen transitive
Vervoeging van helen
helenhele werkwoord — heeldeverleden tijd enkelvoud — heeldenverleden tijd meervoud — geheeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | heel | heelde |
| jij | heelt | heelde |
| hij, zij, het | heelt | heelde |
| wij | helen | heelden |
| jullie | helen | heelden |
| zij | helen | heelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geheeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geheeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geheeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geheeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geheeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geheeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geheeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geheeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geheeld | verleden tijd, deelwoord |
| geheeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geheeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geheeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geheeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geheeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geheeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geheeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geheeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geheeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geheeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geheeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geheeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geheeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geheeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geheeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geheeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geheeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heel | gebiedende wijs |
| heelde | verleden tijd |
| hele | aanvoegende wijs |
| helend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geheeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te helen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen helen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geheeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geheeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geheeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal helen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal helen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal helen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geheeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geheeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geheeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou helen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou helen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou helen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geheeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geheeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geheeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden helen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden helen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden helen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geheeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt helen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geheeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geheeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geheeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen helen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen helen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen helen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen helen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geheeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult helen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
[1] In de betekenis van ‘genezen’ voor het eerst aangetroffen in 1100.
Woordfamilie van helen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geheeld | voltooid deelwoord | helen |
| geheelde | woordvorm | helen |
| heelde | verleden tijd | helen |
| heelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | helen |
| heelen | woordvorm | helen |
| heelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | helen |
| helend | onvoltooid deelwoord | helen |
| helende | woordvorm | helen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van helen zijn vastgelegd.