bevelen
werkwoord, zelfstandig naamwoord bə'velə(n)Betekenis
- een dwingende opdracht geven
- overgeven, toevertrouwen
Hoe spreek je bevelen uit?
/bəˈvelən/
Bevelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| v | vis |
| e | veel |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bevelen
bevelenhele werkwoord — bevalverleden tijd enkelvoud — bevalenverleden tijd meervoud — bevolenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beveel | beval |
| jij | beveelt | bevaalt |
| hij, zij, het | beveelt | beval |
| wij | bevelen | bevalen |
| jullie | bevelen | bevalen |
| zij | bevelen | bevalen |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beval, bevalen | verleden tijd |
| beveel | gebiedende wijs |
| bevele | aanvoegende wijs |
| bevelend | onvoltooid, deelwoord |
| bevolen | verleden tijd, deelwoord |
| bevolen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bevolen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| er is bevolen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bevolen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bevolen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bevolen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bevolen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bevolen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bevolen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bevolen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bevolen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bevolen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bevolen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bevolen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bevolen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bevolen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bevolen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bevolen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bevolen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bevolen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bevolen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bevolen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bevolen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bevolen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bevolen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bevelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bevolen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bevelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bevelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bevelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bevelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bevolen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bevolen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bevolen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bevelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bevelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bevelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bevolen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bevolen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bevolen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bevelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bevelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bevelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bevolen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bevolen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bevolen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bevelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bevolen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bevelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bevelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bevelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bevelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bevolen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bevolen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bevolen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bevelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult bevolen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord bevel
Herkomst
In de betekenis van ‘gelasten’ voor het eerst aangetroffen in 1100
Woordfamilie van bevelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bevaalt | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | bevelen |
| bevalen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bevelen |
| beveel | gebiedende wijs | bevelen |
| beveelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bevelen |
| bevele | aanvoegende wijs | bevelen |
| bevolen | voltooid deelwoord | bevelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bevelen zijn vastgelegd.