vervelen
werkwoord vərˈvelə(n)Betekenis
- saai zijn, en gevoelens van onlust bij iemand oproepen
- klieren
- zich ~: niet weten wat te doen
Hoe spreek je vervelen uit?
/vərˈvelən/
Vervelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| e | veel |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van vervelen
vervelenhele werkwoord — verveeldeverleden tijd enkelvoud — verveeldenverleden tijd meervoud — verveeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verveel | verveelde |
| jij | verveelt | verveelde |
| hij, zij, het | verveelt | verveelde |
| wij | vervelen | verveelden |
| jullie | vervelen | verveelden |
| zij | vervelen | verveelden |
Alle 97 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is verveeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verveeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verveeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verveeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verveeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verveeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verveeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verveeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verveeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verveeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verveeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verveeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verveeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verveeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verveeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verveeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verveeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verveeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verveeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verveeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verveeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verveeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verveeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verveeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vervelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vervelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verveel | gebiedende wijs |
| verveel me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verveel u/je , verveelt je | gebiedende wijs |
| verveeld | verleden tijd, deelwoord |
| verveeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verveeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verveelde | verleden tijd |
| verveelde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verveelde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verveelde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verveelde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verveelde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verveelde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verveelde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verveelden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verveelden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verveelden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| verveelt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verveelt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verveelt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verveelt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verveelt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verveelt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vervele | aanvoegende wijs |
| vervele zich | aanvoegende wijs |
| vervelen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vervelen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vervelen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vervelend | onvoltooid, deelwoord |
| zal me vervelen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verveeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verveeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verveeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vervelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vervelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vervelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich vervelen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je vervelen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verveeld hebben | verleden tijd |
| zich vervelend | onvoltooid, deelwoord |
| zou verveeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verveeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verveeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vervelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vervelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vervelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verveeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verveeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verveeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vervelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vervelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vervelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verveeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vervelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen je vervelen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons vervelen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verveeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verveeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verveeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vervelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vervelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vervelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vervelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen zich vervelen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u vervelen | tweede persoon |
| zult u vervelen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult verveeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vervelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult zich/u vervelen | tweede persoon |
| zult zich/u vervelen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘niet boeien, te veel zijn’ voor het eerst aangetroffen in 1350
Woordfamilie van vervelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verveel | gebiedende wijs | vervelen |
| verveelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vervelen |
| verveelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vervelen |
| vervele | aanvoegende wijs | vervelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vervelen zijn vastgelegd.