verhelen
werkwoord vərˈhelə(n)Betekenis
- aan het zicht onttrekken
Hoe spreek je verhelen uit?
/vərˈhelən/
Verhelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| h | hoed |
| e | veel |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van verhelen
verhelenhele werkwoord — verheeldeverleden tijd enkelvoud — verheeldenverleden tijd meervoud — (verholen) *voltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verheel | verheelde |
| jij | verheelt | verheelde |
| hij, zij, het | verheelt | verheelde |
| wij | verhelen | verheelden |
| jullie | verhelen | verheelden |
| zij | verhelen | verheelden |
Alle 183 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (verholen) * | verleden tijd, deelwoord |
| - | impersonal, passief |
| ben verheeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bent verheeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verheeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verheeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verheeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verheeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verheeld | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verheeld | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verheeld | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verheeld | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verheeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verheeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verheeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verheeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verheeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verheeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verheeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verheeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verheeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verheeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verheeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verheeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt verheeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verheeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verheeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verheeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verheeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verheeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verhelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verhelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verheel | gebiedende wijs |
| verheeld | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verheeld | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verheeld | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verheeld | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verheeld | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verheeld | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verheeld | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verheeld | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verheeld | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verheeld | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verheeld | verleden tijd, deelwoord |
| verheelde | verleden tijd |
| verhele | aanvoegende wijs |
| verhelend | onvoltooid, deelwoord |
| verholen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verholen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verholen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| verholen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| verholen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| verholen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| verholen | verleden tijd, deelwoord |
| verholen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| verholen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| verholen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| verholen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| verholen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| verholen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| verholen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| verholen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| verholen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| verholen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| verholen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| verholen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| verholen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| verholen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| verholen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| verholen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| verholen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| verholen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| verholen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| verholen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| verholen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| verholen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| verholen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| verholen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| verholen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verholen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verholen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verholen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verholen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verholen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| verholen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| verholen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verholen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| verholen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| verholen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| verholen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| verholen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| verholen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| verholen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| verholen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| verholen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| verholen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| verholen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| verholen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| verholen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| verholen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| verholen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verholen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| verholen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| verholen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| verholen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| verholen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| verholen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| verholen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verholen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verholen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waart verheeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verheeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verheeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verheeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verheeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verheeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verheeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verheeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verheeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verheeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verheeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verheeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verheeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verheeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verheeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verheeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verheeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verheeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verheeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verheeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verheeld | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verheeld | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verheeld | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verheeld | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verheeld | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verhelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
Herkomst
via Middelnederlands verhelen van Oudnederlands farhelan; op te vatten als afgeleid van helen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verhelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verheel | gebiedende wijs | verhelen |
| verheeld | voltooid deelwoord | verhelen |
| verheelde | verleden tijd | verhelen |
| verheelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verhelen |
| verheelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verhelen |
| verhele | aanvoegende wijs | verhelen |
| verhelend | onvoltooid deelwoord | verhelen |
| verhelende | woordvorm | verhelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verhelen zijn vastgelegd.