mailen
werkwoord ˈmelə(n)Betekenis
- per elektronische post verzenden
Hoe spreek je mailen uit?
/ˈmelən/
Mailen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| e | veel |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als melen.
Vervoeging van mailen
mailenhele werkwoord — maildeverleden tijd enkelvoud — maildenverleden tijd meervoud — gemaildvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mailde | |
| jij | mailt | mailde |
| hij, zij, het | mailt | mailde |
| wij | mailen | mailden |
| jullie | mailen | mailden |
| zij | mailen | mailden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gemaild | verleden tijd, deelwoord |
| gemaild te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemaild zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemaild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemaild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemaild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemaild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemaild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemaild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemaild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemaild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemaild | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemaild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemaild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemaild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemaild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemaild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemaild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| gebiedende wijs | |
| mailde | verleden tijd |
| maile | aanvoegende wijs |
| mailend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemaild | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te mailen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen mailen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemaild hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemaild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemaild hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal mailen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal mailen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal mailen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemaild hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemaild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemaild hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou mailen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou mailen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou mailen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemaild hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemaild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemaild hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden mailen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden mailen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden mailen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemaild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt mailen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemaild hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemaild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemaild hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen mailen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen mailen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen mailen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen mailen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemaild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult mailen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Verkorting van e-mailen. Analoog met het ontstaan van mail uit e-mail.
Woordfamilie van mailen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemaild | voltooid deelwoord | mailen |
| gemailde | woordvorm | mailen |
| mailde | verleden tijd | mailen |
| mailden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | mailen |
| maile | aanvoegende wijs | mailen |
| mailend | onvoltooid deelwoord | mailen |
| mailende | woordvorm | mailen |
| mailt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | mailen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mailen zijn vastgelegd.