mededelen
werkwoord /ˈmedəˌdelən/Betekenis
- deelnemen, deel hebben
- doen vernemen
Hoe spreek je mededelen uit?
/ˈmedəˌdelən/
Mededelen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| e | veel |
| d | dak |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Vervoeging van mededelen
mededelenhele werkwoord — deelde medeverleden tijd enkelvoud — deelden medeverleden tijd meervoud — medegedeeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | deel mede | deelde mede |
| jij | deelt mede | deelde mede |
| hij, zij, het | deelt mede | deelde mede |
| wij | delen mede | deelden mede |
| jullie | delen mede | deelden mede |
| zij | delen mede | deelden mede |
Alle 207 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| [1-2]: meedelen | |
| ben medegedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent medegedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| deel mede | gebiedende wijs |
| deelde mede | verleden tijd |
| er is medegedeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was medegedeeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd medegedeeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt medegedeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal medegedeeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal medegedeeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou medegedeeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou medegedeeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had medegedeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had medegedeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had medegedeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| had medegedeeld gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had medegedeeld gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had medegedeeld gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden medegedeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden medegedeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden medegedeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden medegedeeld gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden medegedeeld gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden medegedeeld gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt medegedeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadt medegedeeld gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb medegedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| heb medegedeeld gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben medegedeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben medegedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben medegedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben medegedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebben medegedeeld gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben medegedeeld gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben medegedeeld gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt medegedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt medegedeeld gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft medegedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft medegedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heeft medegedeeld gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft medegedeeld gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is medegedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is medegedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kreeg medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| kreeg medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| kreeg medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| kreegt medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| kregen medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| kregen medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| kregen medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| krijg medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| krijgen medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| krijgen medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| krijgen medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| krijgt medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| krijgt medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| mede te delen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| mede te zullen delen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| mede zal delen | bijzin, toekomende tijd |
| mede zou delen | bijzin, voorwaardelijk |
| mede zouden delen | bijzin, voorwaardelijk |
| mede zoudt delen | bijzin, voorwaardelijk |
| mede zullen delen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| mede zullen delen | bijzin, toekomende tijd |
| mede zult delen | bijzin, toekomende tijd |
| mededeel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| mededeelde | bijzin, verleden tijd |
| mededeelden | bijzin, verleden tijd |
| mededeelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| mededelend | onvoltooid, deelwoord |
| medegedeeld | verleden tijd, deelwoord |
| medegedeeld gekregen hebben | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| medegedeeld gekregen te hebben | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| medegedeeld gekregen te zullen hebben | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| medegedeeld gekregen zullen hebben | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| medegedeeld krijgen | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| medegedeeld te krijgen | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| medegedeeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| medegedeeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| medegedeeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| medegedeeld te zullen krijgen | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| medegedeeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| medegedeeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| medegedeeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| medegedeeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| medegedeeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| medegedeeld zullen krijgen | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| medegedeeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| medegedeeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben medegedeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen mededelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart medegedeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren medegedeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren medegedeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren medegedeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was medegedeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was medegedeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was medegedeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt medegedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal mededelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal mededelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal mededelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal mededelen | bijzin, toekomende tijd |
| zal medegedeeld gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal medegedeeld gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal medegedeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal medegedeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal medegedeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal medegedeeld krijgen | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal medegedeeld krijgen | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal medegedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal medegedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal medegedeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal medegedeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn medegedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn medegedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn medegedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt medegedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou mededelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou mededelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou mededelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou mededelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou medegedeeld gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou medegedeeld gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou medegedeeld gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van mede bw en delen ww
Woordfamilie van mededelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| deel mede | gebiedende wijs | mededelen |
| deelde mede | verleden tijd | mededelen |
| deelden mede | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | mededelen |
| deelt mede | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | mededelen |
| dele mede | woordvorm | mededelen |
| delen mede | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | mededelen |
| mededeel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | mededelen |
| mededeelde | subordinate-clause, verleden tijd | mededelen |
| mededeelden | subordinate-clause, verleden tijd | mededelen |
| mededeelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | mededelen |
| mededele | with-subordinate-clause | mededelen |
| mededelend | onvoltooid deelwoord | mededelen |
| mededelende | woordvorm | mededelen |
| medegedeeld | voltooid deelwoord | mededelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mededelen zijn vastgelegd.