stelen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈstelə(n)Betekenis
- iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
Hoe spreek je stelen uit?
/ˈstelən/
Stelen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| e | veel |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van stelen
stelenhele werkwoord — stalverleden tijd enkelvoud — gesteeldverleden tijd meervoud — gesteeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | steel | stal |
| jij | steelt | staalt |
| hij, zij, het | steelt | stal |
| wij | stelen | gesteeld |
| jullie | stelen | gesteeld |
| zij | stelen | gesteeld |
Alle 176 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| ben gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bent gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gesteeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er is gestolen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesteeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er was gestolen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesteeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er werd gestolen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesteeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er wordt gestolen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesteeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesteeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zal gestolen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gestolen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesteeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesteeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| er zou gestolen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gestolen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesteeld | verleden tijd, deelwoord |
| gesteeld te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesteeld zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gestolen | verleden tijd, deelwoord |
| gestolen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gestolen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gestolen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestolen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestolen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestolen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gestolen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gestolen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gestolen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gestolen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesteeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesteeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesteeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| had gestolen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gestolen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gestolen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesteeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesteeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesteeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gestolen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gestolen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gestolen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesteeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadt gestolen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| heb gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesteeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebben gestolen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heeft gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stal | verleden tijd |
| steel | gebiedende wijs |
| stele | aanvoegende wijs |
| stelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gestolen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben/zijn gesteeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te stelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gestolen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gestolen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gestolen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gestolen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gestolen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gestolen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gestolen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gestolen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gestolen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gestolen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gestolen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gestolen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gestolen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gestolen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gestolen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gestolen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gestolen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gestolen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gestolen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gestolen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gesteeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesteeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesteeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gestolen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestolen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestolen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gestolen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestolen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gestolen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestolen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gesteeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijn gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijt gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gesteeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesteeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesteeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gestolen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestolen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestolen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gestolen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestolen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gestolen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestolen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestolen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestolen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesteeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesteeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesteeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gestolen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestolen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
werkwoord
- ontdoen van wat nog is overgebleven van de verbinding met de stengel transitive
- van een steel voorzien transitive
Vervoeging van stelen
stelenhele werkwoord — stalverleden tijd enkelvoud — gesteeldverleden tijd meervoud — gesteeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | steel | stal |
| jij | steelt | staalt |
| hij, zij, het | steelt | stal |
| wij | stelen | gesteeld |
| jullie | stelen | gesteeld |
| zij | stelen | gesteeld |
Alle 176 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| ben gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bent gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gesteeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er is gestolen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesteeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er was gestolen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesteeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er werd gestolen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesteeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er wordt gestolen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesteeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesteeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zal gestolen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gestolen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesteeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesteeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| er zou gestolen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gestolen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesteeld | verleden tijd, deelwoord |
| gesteeld te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesteeld zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gestolen | verleden tijd, deelwoord |
| gestolen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gestolen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gestolen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestolen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestolen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestolen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gestolen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gestolen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gestolen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gestolen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesteeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesteeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesteeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| had gestolen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gestolen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gestolen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesteeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesteeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesteeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gestolen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gestolen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gestolen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesteeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadt gestolen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| heb gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesteeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebben gestolen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heeft gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| steel | gebiedende wijs |
| steelde | verleden tijd |
| stele | aanvoegende wijs |
| stelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gestolen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben/zijn gesteeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te stelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gestolen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gestolen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gestolen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gestolen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gestolen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gestolen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gestolen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gestolen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gestolen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gestolen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gestolen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gestolen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gestolen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gestolen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gestolen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gestolen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gestolen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gestolen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gestolen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gestolen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gesteeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesteeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesteeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gestolen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestolen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestolen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gestolen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestolen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gestolen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestolen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gesteeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijn gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gesteeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijt gestolen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gesteeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesteeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesteeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gestolen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestolen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestolen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gestolen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestolen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gestolen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestolen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestolen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestolen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesteeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesteeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesteeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gestolen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestolen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord steel
Herkomst
Verbalisering van steel [3]
Woordfamilie van stelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| steelde | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 1e persoon | stelen |
| steelden | woordvorm | stelen |
| steelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | stelen |
| stele | aanvoegende wijs | stelen |
| stelend | onvoltooid deelwoord | stelen |
| stelende | woordvorm | stelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stelen zijn vastgelegd.