Naar de inhoud

stelen

iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen

stelen is meer dan één woord

stelen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈstelə(n)

Betekenis

  1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen

Hoe spreek je stelen uit?

/ˈstelən/

Stelen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈstelən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
s sok
t tak
e veel
l land
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van stelen

stelenhele werkwoord — stalverleden tijd enkelvoud — gesteeldverleden tijd meervoud — gesteeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik steel stal
jij steelt staalt
hij, zij, het steelt stal
wij stelen gesteeld
jullie stelen gesteeld
zij stelen gesteeld
Alle 176 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
ben gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bent gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gesteeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er is gestolen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gesteeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er was gestolen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gesteeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er werd gestolen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gesteeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er wordt gestolen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gesteeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gesteeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zal gestolen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gestolen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gesteeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gesteeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
er zou gestolen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gestolen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gesteeld verleden tijd, deelwoord
gesteeld te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesteeld zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gestolen verleden tijd, deelwoord
gestolen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gestolen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gestolen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gestolen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gestolen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gestolen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gestolen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gestolen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gestolen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gestolen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gesteeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gesteeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gesteeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
had gestolen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gestolen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gestolen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gesteeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gesteeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gesteeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gestolen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gestolen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gestolen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gesteeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadt gestolen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
heb gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesteeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebben gestolen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebt gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
heeft gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
stal verleden tijd
steel gebiedende wijs
stele aanvoegende wijs
stelend onvoltooid, deelwoord
te hebben gestolen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben/zijn gesteeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te stelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen stelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gestolen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gestolen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gestolen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gestolen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gestolen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gestolen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gestolen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gestolen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gestolen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gestolen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gestolen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gestolen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gestolen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gestolen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gestolen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gestolen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gestolen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gestolen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gestolen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gestolen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gesteeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesteeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gesteeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gestolen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gestolen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gestolen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gestolen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gestolen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gestolen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gestolen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal stelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal stelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal stelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gesteeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijn gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijt gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gesteeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesteeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesteeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gestolen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gestolen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gestolen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gestolen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gestolen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gestolen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gestolen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gestolen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gestolen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou stelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou stelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou stelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gesteeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesteeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesteeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gestolen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gestolen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon

werkwoord

  1. ontdoen van wat nog is overgebleven van de verbinding met de stengel transitive
  2. van een steel voorzien transitive

Vervoeging van stelen

stelenhele werkwoord — stalverleden tijd enkelvoud — gesteeldverleden tijd meervoud — gesteeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik steel stal
jij steelt staalt
hij, zij, het steelt stal
wij stelen gesteeld
jullie stelen gesteeld
zij stelen gesteeld
Alle 176 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
ben gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bent gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gesteeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er is gestolen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gesteeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er was gestolen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gesteeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er werd gestolen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gesteeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er wordt gestolen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gesteeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gesteeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zal gestolen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gestolen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gesteeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gesteeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
er zou gestolen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gestolen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gesteeld verleden tijd, deelwoord
gesteeld te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesteeld zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gestolen verleden tijd, deelwoord
gestolen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gestolen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gestolen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gestolen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gestolen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gestolen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gestolen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gestolen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gestolen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gestolen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gesteeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gesteeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gesteeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
had gestolen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gestolen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gestolen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gesteeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gesteeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gesteeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gestolen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gestolen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gestolen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gesteeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadt gestolen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
heb gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesteeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebben gestolen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebt gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
heeft gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
steel gebiedende wijs
steelde verleden tijd
stele aanvoegende wijs
stelend onvoltooid, deelwoord
te hebben gestolen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben/zijn gesteeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te stelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen stelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gestolen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gestolen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gestolen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gestolen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gestolen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gestolen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gestolen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gestolen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gestolen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gestolen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gestolen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gestolen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gestolen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gestolen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gestolen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gestolen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gestolen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gestolen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gestolen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gestolen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gesteeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesteeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gesteeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gestolen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gestolen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gestolen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gestolen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gestolen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gestolen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gestolen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal stelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal stelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal stelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gesteeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijn gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gesteeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijt gestolen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gesteeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesteeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesteeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gestolen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gestolen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gestolen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gestolen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gestolen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gestolen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gestolen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gestolen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gestolen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou stelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou stelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou stelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gesteeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesteeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesteeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gestolen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gestolen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord steel

Herkomst

Verbalisering van steel [3]

Woordfamilie van stelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
steelde aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 1e persoon stelen
steelden woordvorm stelen
steelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon stelen
stele aanvoegende wijs stelen
stelend onvoltooid deelwoord stelen
stelende woordvorm stelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over stelen

Hoe spreek je stelen uit?
De uitspraak van stelen is: /ˈstelə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent stelen?
Stelen is een werkwoord. Het woord betekent: iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je stelen?
Je vervoegt stelen als volgt: de tegenwoordige tijd is steel, de verleden tijd is stal en het voltooid deelwoord is gesteeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op stelen?

Er staan 37 woorden in dit woordenboek die op stelen rijmen, waaronder vervelen, spelen en mededelen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op stelen, uitspraak ˈstelən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
vervelen 3
spelen 2
mededelen 4
bespelen 3
aanbevelen 4
delen 2
velen 2
schelen 2
bevelen 3
helen 2
juwelen 3
mailen 2
melen 2
openstellen 4
onderverdelen 5
wereldspelen 4
verhelen 3
gelijkspelen 4
overspelen 4
allelen 3
bekkenelen 4
bikkelspelen 4
camelen 3
commerciëlen 4
croquetspelen 4
deelen 2
ghazelen 3
lintelen 3
misdelen 3
onderdelen 4
reserveonderdelen 7
sapioseksuelen 7
sequelen 3
spornoseksuelen 6
tegenspelen 4
volkstonelen 5
welen 2

Scrabble punten

Naar spel

Het woord stelen is 10 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. T 2
  3. E 1
  4. L 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 10 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

stelen levert met Wordfeud minimaal 10 en maximaal 48 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. T 2
  3. E 1
  4. L 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 10 zonder bonus
  8. 48 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

stelen telt 6 letters, waarvan 5 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

stelen in het kort

stelen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van stelen zijn 108 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort stelen bij een woordfamilie van 6 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

stelen: iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
Deel stelen — standaardnederlands.nl