schelen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈsxelə(n)Betekenis
- een verschil maken
Hoe spreek je schelen uit?
/ˈsxelən/
Schelen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| e | veel |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van schelen
schelenhele werkwoord — scheeldeverleden tijd enkelvoud — scheeldenverleden tijd meervoud — gescheeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | scheel | scheelde |
| jij | scheelt | scheelde |
| hij, zij, het | scheelt | scheelde |
| wij | schelen | scheelden |
| jullie | schelen | scheelden |
| zij | schelen | scheelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gescheeld | verleden tijd, deelwoord |
| gescheeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gescheeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gescheeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gescheeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gescheeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gescheeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gescheeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gescheeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gescheeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gescheeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gescheeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gescheeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gescheeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gescheeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gescheeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gescheeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gescheeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| scheel | gebiedende wijs |
| scheelde | verleden tijd |
| schele | aanvoegende wijs |
| schelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gescheeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gescheeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gescheeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gescheeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gescheeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gescheeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gescheeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gescheeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gescheeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gescheeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gescheeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gescheeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gescheeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gescheeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gescheeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord scheel
Herkomst
van Middelnederlands scelen, scillen "verschillen'", in de betekenis van ‘afwijken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1290
Woordfamilie van schelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gescheeld | voltooid deelwoord | schelen |
| scheelde | verleden tijd | schelen |
| scheelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schelen |
| scheelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schelen |
| schelend | onvoltooid deelwoord | schelen |
| schelende | woordvorm | schelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schelen zijn vastgelegd.