Naar de inhoud

gelijkspelen

een wedstrijd eindigen met een gelijke stand

gelijkspelen is meer dan één woord

gelijkspelen

werkwoord, zelfstandig naamwoord /ɣəlɛikˈspelə(n)/

Betekenis

  1. een wedstrijd eindigen met een gelijke stand

Hoe spreek je gelijkspelen uit?

/xəlɛikˈspelən/

Gelijkspelen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.

De tekens in /xəlɛikˈspelən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
x acht
ə de
l land
ɛi trein
k kat
s sok
p pak
e veel
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van gelijkspelen

gelijkspelenhele werkwoord — speelde gelijkverleden tijd enkelvoud — speelden gelijkverleden tijd meervoud — gelijkgespeeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik speel gelijk speelde gelijk
jij speelt gelijk speelde gelijk
hij, zij, het speelt gelijk speelde gelijk
wij spelen gelijk speelden gelijk
jullie spelen gelijk speelden gelijk
zij spelen gelijk speelden gelijk
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gelijk te spelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gelijk te zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelijk zal spelen bijzin, toekomende tijd
gelijk zou spelen bijzin, voorwaardelijk
gelijk zouden spelen bijzin, voorwaardelijk
gelijk zoudt spelen bijzin, voorwaardelijk
gelijk zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gelijk zullen spelen bijzin, toekomende tijd
gelijk zult spelen bijzin, toekomende tijd
gelijkgespeeld verleden tijd, deelwoord
gelijkgespeeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelijkgespeeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gelijkspeel bijzin, tegenwoordige tijd
gelijkspeelde bijzin, verleden tijd
gelijkspeelden bijzin, verleden tijd
gelijkspeelt bijzin, tegenwoordige tijd
gelijkspelend onvoltooid, deelwoord
had gelijkgespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gelijkgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gelijkgespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gelijkgespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gelijkgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gelijkgespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gelijkgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gelijkgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gelijkgespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gelijkgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gelijkgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gelijkgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gelijkgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gelijkgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gelijkgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
speel gelijk gebiedende wijs
speelde gelijk verleden tijd
te hebben gelijkgespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen gelijkspelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gelijkgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gelijkgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gelijkgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gelijkspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal gelijkspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal gelijkspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gelijkspelen bijzin, toekomende tijd
zou gelijkgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gelijkgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gelijkgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gelijkspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou gelijkspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou gelijkspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gelijkspelen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) gelijkspelen gelijk zou(dt) spelen bijzin, voorwaardelijk
zouden gelijkgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gelijkgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gelijkgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gelijkspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gelijkspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gelijkspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gelijkspelen bijzin, voorwaardelijk
zoudt gelijkgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gelijkspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gelijkspelen bijzin, voorwaardelijk
zullen gelijkgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gelijkgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gelijkgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gelijkspelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen gelijkspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gelijkspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gelijkspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gelijkspelen bijzin, toekomende tijd
zult gelijkgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gelijkspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gelijkspelen bijzin, toekomende tijd
zult/zal gelijkspelen gelijk zult/zal spelen bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord gelijkspel

Herkomst

samenstelling van gelijk en spelen

Woordfamilie van gelijkspelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gelijkgespeeld voltooid deelwoord gelijkspelen
gelijkspeel subordinate-clause, tegenwoordige tijd gelijkspelen
gelijkspeelde subordinate-clause, verleden tijd gelijkspelen
gelijkspeelden subordinate-clause, verleden tijd gelijkspelen
gelijkspeelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd gelijkspelen
gelijkspele with-subordinate-clause gelijkspelen
gelijkspelend onvoltooid deelwoord gelijkspelen
gelijkspelende woordvorm gelijkspelen
speel gelijk gebiedende wijs gelijkspelen
speelde gelijk verleden tijd gelijkspelen
speelden gelijk aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon gelijkspelen
speelt gelijk aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon gelijkspelen
spele gelijk woordvorm gelijkspelen
spelen gelijk aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon gelijkspelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gelijkspelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over gelijkspelen

Hoe spreek je gelijkspelen uit?
De uitspraak van gelijkspelen is: /ɣəlɛikˈspelə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent gelijkspelen?
Gelijkspelen is een werkwoord. Het woord betekent: een wedstrijd eindigen met een gelijke stand.
Hoe vervoeg je gelijkspelen?
Je vervoegt gelijkspelen als volgt: het voltooid deelwoord is gelijkgespeeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op gelijkspelen?

Er staan 37 woorden in dit woordenboek die op gelijkspelen rijmen, waaronder vervelen, stelen en spelen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op gelijkspelen, uitspraak xəlɛikˈspelən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
vervelen 3
stelen 2
spelen 2
mededelen 4
bespelen 3
aanbevelen 4
delen 2
velen 2
schelen 2
bevelen 3
helen 2
juwelen 3
mailen 2
melen 2
openstellen 4
onderverdelen 5
wereldspelen 4
verhelen 3
overspelen 4
allelen 3
bekkenelen 4
bikkelspelen 4
camelen 3
commerciëlen 4
croquetspelen 4
deelen 2
ghazelen 3
lintelen 3
misdelen 3
onderdelen 4
reserveonderdelen 7
sapioseksuelen 7
sequelen 3
spornoseksuelen 6
tegenspelen 4
volkstonelen 5
welen 2

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord gelijkspelen is 26 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. G 3
  2. E 1
  3. L 3
  4. I 1
  5. J 4
  6. K 3
  7. S 2
  8. P 3
  9. E 1
  10. L 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 26 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

gelijkspelen levert met Wordfeud minimaal 28 en maximaal 108 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. G 3
  2. E 1
  3. L 3
  4. I 2
  5. J 4
  6. K 3
  7. S 2
  8. P 4
  9. E 1
  10. L 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 28 zonder bonus
  14. 108 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

gelijkspelen in het kort

gelijkspelen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van gelijkspelen zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort gelijkspelen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

gelijkspelen: een wedstrijd eindigen met een gelijke stand
Deel gelijkspelen — standaardnederlands.nl