wacht
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ʋɑxt/Betekenis
- iemand die tot taak heeft iets te bewaken
- een tijd waarin men de taak heeft iets te bewaken
- een plaats waar men waakt
- een groep die tot taak heeft iets te bewaken
Hoe spreek je wacht uit?
/wɑxt/
Wacht bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord
- / een tijd waarin men de taak heeft iets te bewaken feminine, masculine
- / een plaats waar men waakt feminine, masculine
- / een groep die tot taak heeft iets te bewaken feminine, masculine
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| wachten | meervoud |
| wachtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| wachtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van wachten
- gebiedende wijs van wachten
Vervoeging van wacht
wachthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘het waken’ voor het eerst aangetroffen in 1080
Woordfamilie van wacht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wachtje | verkleinwoord | wacht |
| wachtjes | verkleinwoord meervoud | wacht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wacht zijn vastgelegd.