schacht
zelfstandig naamwoord /ˈsxɑxt/Betekenis
- (holle) buis (koker)
- een gat dat in de grond gemaakt is om als bron te dienen voor water, olie, gas of andere vloeistoffen
- deel van laars dat het been omgeeft
- nieuwe student, eerstejaars
Hoe spreek je schacht uit?
/ˈsxɑxt/
Schacht bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɑ | bad |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- buis (koker)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schachten | meervoud |
| schachtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schachtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘stok, kokervormig omhullend deel’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van schacht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schachten | meervoud | schacht |
| schachtje | verkleinwoord | schacht |
| schachtjes | verkleinwoord meervoud | schacht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schacht zijn vastgelegd.