voorgeslacht
zelfstandig naamwoord ˈvorɣəˌslɑxtBetekenis
- (eng) voorouders, personen waarvan men zelf afstamt
- (ruim) voorouders, voorvaderen van de gehele mensheid
Hoe spreek je voorgeslacht uit?
/ˈvorxəˌslɑxt/
Voorgeslacht bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| o | boot |
| r | rood |
| x | acht |
| ə | de |
| s | sok |
| l | land |
| ɑ | bad |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — neuter
- voorouders, personen waarvan men zelf afstamt
- voorouders, voorvaderen van de gehele mensheid
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| voorgeslachten | meervoud |
Herkomst
samenstelling van voor en geslacht
Woordfamilie van voorgeslacht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| voorgeslachten | meervoud | voorgeslacht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorgeslacht zijn vastgelegd.