geslacht
zelfstandig naamwoord, werkwoord ɣəˈslɑxtBetekenis
- sekse, het man of vrouw zijn
- de geslachtsorgaan|geslachtsorganen
- genus, taxon, samengesteld uit een of meer soorten; geslachten worden gegroepeerd in families
- grammaticaal geslacht, genus
- de afstammelingen van één persoon
Hoe spreek je geslacht uit?
/xəˈslɑxt/
Geslacht bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ə | de |
| s | sok |
| l | land |
| ɑ | bad |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- de geslachtsorganen
- genus zn [2], taxon, samengesteld uit een of meer soorten; geslachten worden gegroepeerd in families
- grammaticaal geslacht, genus zn [1]
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| geslachten | meervoud |
| geslachtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| geslachtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van slachten
Vervoeging van geslacht
geslachthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘familie’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van geslacht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geslachten | meervoud | geslacht |
| geslachtje | verkleinwoord | geslacht |
| geslachtjes | verkleinwoord meervoud | geslacht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van geslacht zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- dubbelslachtig
- eenslachtig
- geslachtelijk
- geslachtkunde
- geslachtloos
- geslachtsapparaat
- geslachtsboom
- geslachtscel
- geslachtschromosoom
- geslachtsdaad
- geslachtsdeel
- geslachtsdrift
- geslachtsgemeenschap
- geslachtshormoon
- geslachtskenmerk
- geslachtskeuze
- geslachtsklier
- geslachtsleven
- geslachtslijst
- geslachtsloos
- geslachtsnaam
- geslachtsonderscheid
- geslachtsorgaan
- geslachtsregel